Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lezer! Waar Segol verschijnt, is hij overwinnaar. Zijn leger vereert hem bijna als een wezen van hooger orde. Zijn groote hoedanigheden vinden keer op keer een ruimer veld om uit te schitteren. Zijn peinzende geest wordt opeens bestraald door een hooger licht en komt tot de erkenning van den waren God. Die erkenning werpt een reinen glans op de groote ziel van den held. Na Regols zang is hij een dienaar van den eenigen, waren God. Het doet den adel zijner ziel kennen, dat die zang, voor de andere Kaïnieten en Regol zelf onbegrijpelijk, hem de ware kennis doet verwerven.

Van Hoogstraten heeft Da Costa's werk verdiept. Hij stemt in met Da Costa s meeningen omtrent het verder ontwerp en verklaart: zeg, indien het u lust, dat hij te weinig wetenschap bezat, om zich aan de idealen van Bilderdijk te mogen wagen. Maar erken dat er zonnevonken uit zijn denkbeelden flitsen en dat er een geest woont in zijn borst, die op het kunstgebied over wereldstelsels beschikt. Zie wat de geest der poëzie vermag, wanneer hij op breede vleugelen door de wolken vaart.

In het Derde Deel van zijn studiën en kritieken heeft Van Hoogstraten nog een uitvoerig hoofdstuk gewijd aan Bilderdijk, aan Kollewijn en aan Pierson. Aan het einde daarvan komt hij nogmaals terug op het epos. Volgen wij hem daar. Het is hem een raadsel, dat Kollewijn overeenkomst ziet met de mythe van Prometheus. Merkt Kollewijn niet zelf op, dat mr. Rau ten onrechte <groote overeenkomst» gezocht heeft tusschen Prometheus en Segol? 't Is ook niet helder, hoe de stof van dit heldendicht tot een wijze van behandeling moest aansporen, die de zangen van Ossiaan voor Bilderdijk's geest terugriep. Waarin bestaat die wijze van behandeling? Zeker niet in de schikking van het dichtstuk, daar volgens Bilderdijk zeiven de «losse zangen» van Fingal in vinding en samenstelling zelfs niet een der beste hymnen, die op Homerus' naam gaan kunnen opwegen.

Hoe is hei. mogelijk, dat Kollewijn den naam van Ossiaan noemt en niet dien van Milton! Bilderdijk zingt in den aanhef van zijn epos tot de Dichtkunst:

(Gij), schep hier tonen, waard den Koninklijken Bard,

Wen hij 't Onsterflijk oog, op de aarle neergeslagen,

't Gevallen menschdom toont en Godlijk laat beklagen.

Alleen reeds het titanische van Milton's poëzie moest voor Bilderdijk bij een zoo reusachtige kunstschepping als de Ondergang der Eerste Wareld een onbeschrijfelijke tooverkracht bezitten.

Ik voeg bij van Hoogstraten's opmerkingen deze, hoe in onze taal

Sluiten