Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sprak hij de taal eener liefde, wier grootmoedigheid alleen geëvenaard werd door haar roerenden eenvoud.

In zijn Inleiding zegt Kollewijn, dat alle ware kunstoordeel subjektief is, hij is er niet zeker van, dat men van altijd geldige wetten der aesthetika kan spreken. Van Hoogstraten toont aan dat Kollewijn door andere uitingen zichzelf indirekt tegenspreekt. Hij deelt dan ook niet zijn meening, doch zegt: «Dat wij ons bij het beoordeelen van kunstwerken niet zelden bedriegen, bewijst alleen, dat ons verstand feilbaar is in het formuleeren en toepassen van zijn schoonheidsleer.»

Zeer ontevreden is Van Hoogstraten met Kollewijn's behandeling van De Ziekte der Geleerden. Men kan in onze letterkunde geen tweede voorbeeld aanwijzen van een zoo schitterend en alles overheerschend meesterschap in taal- en dichtvormen. Alleen bij de rerum natura van Lucretius en de Georgica van Vergilius kan dit leerdicht vergeleken worden. Kollewijn had het moeten toetsen aan die twee werken der oudheid. Nochtans kan Van Hoogstraten ook mij niet overtuigen, dat de samenstelling van dit stuk niet zwak zou zijn. Sommige onderdeelen zijn mat of storend voor de klare harmonie en schoonheid der andere deelen. Wij schatten het gedicht overigens zeer hoog. «De eigenlijke kunst van een leerdicht,» zegt Van Hoogstraten «bestaat in de ongemeene opvatting en voorstelling van het onderwerp, in fraaie schilderingen, in epische vergelijkingen en boeiende of treffende episoden.» Deze allen zijn in het stuk rijkelijk te vinden. Een bouw, waardoor het zich ons als een geheel aanbiedt, zien wij echter niet.

Moest het een willekeurig aantal zangen meer bedragen, wij zouden het waarschijnlijk achten. De slotepisode bijv. is prachtig, doch bereidt zij ons eenigszins voor op het einde? «Betrouw geen tooverkracht,» hiermee neemt Bilderdijk afscheid.

De aanmerkingen en steenen op Kollewijn's boek zijn nu door drie schrijvers opgestapeld tot een aanmerkelijke hoogte. De betrekkelijke waarde echter van zijn studie blijft bestaan. Vergelijkt men zijn werk en zijn kritiek met de meeningen van onze huidige voormannen op letterkundig gebied, dan zal men een reusachtig verschil ontwaren. De Nederlandsche natie had Bilderdijk den rug toegekeerd. Het boek van Kollewijn vormt den overgang tot een schooner tijdperk, een nieuwen dageraad voor Bilderdijk; de eerste stralen van het morgenrood zijn er in zichtbaar, hoewel niet meer dan die eerste stralen. En temidden der hartstochten heeft Kollewijn's nuchterheid ook zijn voordeelige zijde gehad. Hij overdrijft niet als Da Costa. Juist zijn bedaardheid zal een verzoening teweeg brengen van wie zich door Bilderdijk gekwetst voelen in hun politieke, godsdienstige of zedelijke gevoelens met den nog immer gevreesden zanger. De invloed

Sluiten