Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Geen geschapen schoonheid kan volstrekte schoonheid zijn: daar is slechts één volstrekte schoonheid bestaanbaar. In het geschapene mag men slechts een betrekkelijke schoonheid aanschouwen en genieten; een schoonheid die ons als een eindige afstraling de oneindige schoonheid kan toespiegelen. Des menschen ziel behoort als geest tot die orde van wezens, waarin zich het schoone op veel verhevener wijze dan in het stoffelijke moet openbaren. Doch de mensch heeft geen onmiddelijke intuïtie van zijne ziel: had hij die, de aanschouwing en bewondering van dien geest zouden hem ieder oogenblik tot dankbare aanbidding stemmen van de eeuwige, ongeworden schoonheid wier spiegel hij in zich mag omdragen. Maar in dit leven hangt onze denkbeeldvorming op het nauwst samen met ons lichamelijk bestaan. Wij kennen onze ziel niet dan door haar werkingen, omdat wij in haar wezen geen blik mogen werpen. Daarom erkent de ziel het schoone in de eerste plaats buiten zich. Doch in die erkenning wordt zij zich ook en menigmaal in zeer hooge mate van haar eigen schoonheid bewust. Dan geniet zij, om dus te spreken, zichzelve en juicht zich met wellust toe in het genot harer eigene schoonheid. Dit heeft dan vooral plaats wanneer het schoone den trap des verhevenen bereikt. Dan stijgt de ziel in het besef harer eigene verhevenheid boven de aarde; dan erkent zij, verrukt en opgetogen, haar bovenaardsche bestemming; dan gevoelt zij zich met ondenkbare weelde het beeld van den oneindigen, algenoegzamen God.

«Niet vreemd dat ook ons zintuigelijk bestaan gedurende die oogenblikken mag deelen in dat overstelpend genot onzer ziel. Daar is een wonderbare samenstemming tusschen het geestelijke en het lichaamlijke in den mensch. Gelijk het laatste niet zelden invloed oefent op het eerste in zoodanige mate, dat de werkingen des geestes door het lijden des lichaams worden onderdrukt en verlamd, zoo vermag omgekeerd de geest met weldadige kracht over het lichaam te heerschen. Waar de ziel den glans eener waarheid aanschouwt en in die aanschouwing haar hemelschen adel gevoelt, daar juicht het lichaam de verhoogde heerschappij toe van den geest. Zoo vaak deze zich koning toont huldigt het lichaam zijn macht. De geheele mensch gevoelt in zich een hooger kracht wanneer de geest zijn kracht gevoelt.

«Gods schoonheid wordt weerspiegeld door de gansche schepping. Doch gelijk de geheele schepping een spiegel en een beeld is van God, zoo is elk deel der schepping dit eveneens en zoo ook weer ieder deel van het deel. Desgelijks zijn ook al de scheppingsdeelen, spiegel en beeld van elkander.

«God is in zijn hoogst volkomen Wezen vormbeeld van alle geschapen

Sluiten