Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dichterlijken inboedel van het verzenschrijvend voorgeslacht. Hun werk is een chaos geworden van slechten smaak en ridicule onbeholpenheid, bijeengefantaseerd en opgetrokken door een krachtigen, maar in het wilde dolenden aandrang om iets groots te doen. Toch hebben beide dichters den grooten rhythmengang, de volle gedragenheid, den breeden armzwaai van het genie. Maar bij Bilderdijk is het steeds, of hij ieder woord een duwtje geeft, totdat alle tezamen te luide brommen of te hoog gieren als de harmonische dissonanten van een dansend satersbacchanaal; terwijl Da Costa soms tot een inderdaad wonderbare rhythmische verrukking komt, om dan straks weer in het vlakste proza te verloopen. Zij zijn typen van de rhetorische poëten, die werkend met de dichterlijke taal van hun tijd, en in het bezit van ééne groote eigenschap van klank, waardoor de lezer gepakt wordt, een of twee geslachten bewonderd zijn en thans tot de niet meer gelezenen behooren.»

Elders beschuldigt hij Bilderdijk zijn taal niet te kennen (34, 35, II), de timmerman, ja, ieder verstandig mensch kan zien, dat Bilderdijk de dingen niet kent, die hij noemt: 1) < Praten over dingen, die men niet weet, moet dichters evenmin als gewonen menschen geoorloofd zijn.»

Blz. 155 (over Herman Gorter): «Generatie na generatie is óp komen dagen uit het brein zelf des volks, des nederlandschen volks, en elke had hare beteekenis en elk had hare plaats. Eerst het foeileelijke, maar rots-harde kolossus-beeld van meester Willem Bilderdijk, den man, dien wij respecteeren als werker groot-machtig, als willer schier eindeloos, maar dien wij niet kunnen liefhebben, omdat hij niet is wat hij wezen wou, omdat hij niet was wat hij scheen. Bilderdijk was groot als rhythmisch denker in mannelijk proza en veel van wat hij zeide staat thans nog omhoog. Maar zijn verzen zijn een chaos, een kolossale chaos, van zichzelf niet begrijpenden, zich in zichzelf vergissenden, reusachtigen levenswil. Zeer respectabel, maar zeer zelden schoon. Bilderdijk was groot, maar hij was geen dichter. Hij was geen voorganger, Bilderdijk was een' slot, een heel eerwaardig slot. Maar een slot zóó geweldig, imposanthoog-geweldig, dat de galm er van zou nadreunen door den corridor der tijden en Da Costa zou zwaar zijn van den dreunval des meesters, en dronken van den wijn der nieuwere ideeën, zou slingeren zijn anathemen in strofen superbe van krachtigen zinsbouw, maar met iets van den droesem, den pruikigen droesem, van het valsch klassicisme, dat zoo lang onze kunst had veretterd en verdord. Over de andere leerlingen van dit glorieus misverstand spreekt men niet meer.»

1) Kuyper in zijn rede (lie blz. 77) geeft bewijs voor het tegendeel.

Sluiten