Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de poëzie is de grondtrek van de dichters die omstreeks 1880 optraden.» Ik wees er op, hoe reeds Bilderdijk de poëzie vergoddelijkte, hoe zij de ziel was van zijn wezen; <een godheid blaast u aan» roept Bilderdijk den zanger toe, men hoort in de poëzie de orakelen dier godheid; de dichter wandelt op starren met den voet (hetgeen doet denken aan het beeld van Perkt'. Gods voeten rustende op het gestarnte), de god der Almacht dondert in zijn spreuken; het is de voortzetting en groei van Poots hoog begrip der poëzie, die reeds van haar getuigde:

Zij speelt met bliksems als Jupijn

E11 dondert als ze wreekt.

Dit kenmerk van Verwey is dus niet voldoende. De tachtigers echter gingen nog een stap verder dan Bilderdijk. De christengodheid verdween voor hen; en voor haar in de plaats kwam het ideaal, de poëzie, de schoonheid: <Noch de maatschappij, noch het vaderland, noch wetenschap, noch wijsbegeerte bezielden de toenmalige jongeren. Het was alleen

dat algemeene wezen van de poëzie dat in hen oprees, en enkel hier

komt een karakteristiek van beteekenis — zich aankondigde als plaatsvervangster van den christelijken eeredienst. Het gevoel waarin de poëzie die jongeren bracht of aantrof, was dat van den vrome die zijn god aanbidt, maar de god was de poëzie-zelf, beeld-geworden, de god was de schoonheid. En omdat zij toch, van ver of van nabij, voor een christelijken god geknield hadden, bracht de een de woorden van zijn vroegere aanbidding mee in zijn latere of zag de ander den nieuwen god aan den ouden vijandig; en omdat zij menschen waren, werden de trekken van de nieuwe godheid door elk anders aangeduid.» Het is duidelijk: de tachtigers vonden schoonheid buiten het gangbaar christelijk schoonheidsbegrip, God is de hoogste schoonheid, zij moesten dus de christengodheid verlaten, en geen ander klaar begrip bezittende der Godheid, aanbaden zij deze door het medium van het schoone, de schoonheid werd hun tot Godheid, de poëzie plaatsvervangster van den christelijken eeredienst. Het spreekt echter vanzelf, dat door het gemis van wijsgeerige grondslagen of heldere positieve godsbegrippen de beweging den kiem der ontbinding in zich droeg. Op verschillende wijze trachten thans de dragers dier nieuwe literatuur vastere grondslagen te verkrijgen voor hun begrippen. Degene, die het minst geslaagd is in dit streven, Kloos, is in zijn poëtische scheppingen ook het minst zichzelf gebleven. Onafhankelijk van godsbegrip of wijsbegeerte kan de poëzie op den duur niet blijven leven. De werkelijke < tachtiger» beweging heeft daarom opgehouden te bestaan, na geleid te hebben tot een verruiming en een verheldering der begrippen

Sluiten