Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenals Smit Kleine noemt van Nouhuys Bilderdijk een taaireus. De beminde zanger IV. L. Penning Jr., Verwey's vriend, erkent in Bilderdijk den magistralen dichter. Soera Rana (Esser) eert zijn poëzie.

De invloedrijke criticus van Deyssel heeft zonder twijfel Bilderdijk als dichter een dwerg geacht, daar hij het niet eens de moeite waard achtte hem als kunstenaar te noemen. Baanbrekend wordt genoemd zijn veel geroemde eerste bundel: Verzamelde opstellen. De kritische geest van Huet waart daarin rond, en het is eigenaardig, hoe Huet op zich zelf onthaald wordt. In het land van Rembrandt beweert Huet: «Vondel heeft met de kathedraal van Utrecht gemeen, dat, wanneer men hem bij de grootste dichters zijner eeuw en vóór hem in het buitenland vergelijkt, hij den indruk maakt een vernuft van den tweeden rang te zijn. Werken van adem of omvang die thans nog een volkomen genot aanbieden, zijn niet door hem voortgebracht. Hij en Hooft, vergeleken bij Stevin, Chr. Huyghens, Swammerdam, Spinoza, en de overigen, leveren het bewijs, dat de nederlanders der zeventiende eeuw meer in de wetenschappen dan in de letteren hebben uitgemunt. Beschouwt men hem daarentegen als nationale reliek, onder onsje in den besten zin van het woord, dan vindt men Vondel zeer buitengewoon.» Van Deyssel schrijft over Huet: «Als ik op de tinnen ga staan van den toren mijner observatie, om de groote literatuur te overzien, dan ontwaar ik Huet niet, maar ik daal tot ik de plek van mijn land, het dichtst bij mij, onder mij zie, en niet meer zoo goed de reuzen aan de verre horizonten, en ik zie Huet, groot in het kleine land. Huet was groot en goed voor het kleine land, klein van omvang, maar klein vooral van geest. Het is geen schande voor een land geen literatuur te hebben, maar wèl is 't een schande dat gemis niet te willen bekennen en een schande vooral de letterlievende proefjes van oudbakken rederijkerij als literatuur te noemen en te eeren. Dèt heeft Huet gezegd, dat Holland geen literatuur had; dat heeft hij gezegd met even zoo veel woorden, en dat heeft hij in den breede gezegd en aangetoond in bijna al zijn opstellen. De hollanders waren gek of kinderen, of ik weet niet wat, en Huet was normaal. Nog eens, Holland had zijn schilderwerk, niet waar? waarom gaf het niet toe, dat het geen literatuur had ?» Omdat er toen nog evenwichtiger menschen waren dan zij, die zoo onbeschaamd verkozen op te treden.

Van Deyssel wil op deze plaats zijn gebrek aan oorspronkelijkheid nog verder bewijzen: « Niet alleen aanvaard ik alle als groot erkende literatuur van het Verleden, epiek, tragedie, drama, lyriek, komedie, in alle tegen- en

samenstellingen » Doch de schoonheden, de tegen- en samenstellingen

der Nederlandsche literatuur ontgingen hem. Het moet wel een hooge

Sluiten