Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ezelen! Schooner omgeving om Vondel en Bilderdijk te leeren kennen dan Van Deyssel had, is niet denkbaar.

Het zou zijn om troosteloos te worden, indien we niet kracht mochten putten uit het verleden, we mogen leven met de middeleeuwen en later met: Vondel, Bredero, Hooft, Reefsen, Starter, Jan Luyken, Poot, Bilderdijk, Staring, Guido Gezelle, enz. enz.

Ik meen hiermede het karakter en de wording der kritiek van onze huidige voorgangers ten opzichte van Bilderdijk voor een groot deel verklaard te hebben.

VIII.

Calvinisme.

Ons staat thans te bespreken Postmus' hoofdstuk over Bilderdijk in zijn lijvig boek: Calvinistische vertoogen. Bilderdijk is, het valt niet te verwonderen, Postmus' geliefde held. De schrijver tracht Bilderdijk's ontwikkelingsgang uit calvinistisch oogpunt te schetsen tot de jaren zijner ballingschap en plaatst hem daarvoor in den lijst van zijn tijd, vooral tegenover Feith en Van der Palm, die hij beiden scherp aanvalt, onzes inziens door zijn antipathie verleid tot te groote hevigheid. Waarom b.v. Feith's < onbegriepelijk > zoo vaak herhaald ? Wordt Feith hier begrijpelijker door? En treft het lot onbegrepen te blijven de meeste kloeke geesten niet in hun eigen tijd? Hoe oordeelt Postmus over Feith's schitterenden klassieken (doch te veel slecht opgedreunden) lierzang op de Ruyter, ons sympathieker held dan Napoleon? Wie anderen eischen wil stellen, moet ze ook stellen aan zichzelf. Feith wordt uitgeveegd, omdat hij aanvankelijk de vrijheidsbeweging in Frankrijk toejuicht. Begrijpt de schrijver Feith hier, mogen wij vragen, of twijfelt hij aan de godsvrucht van Klopstock? Later vindt Feith zich bedrogen. Doch, pas nu de verwijten, tot Feith gericht, toe op Bilderdijk's latere verhouding tot Napoleon; daar zal de schrijver zich wel voor wachten.

Wij schatten dan ook het verdedigend gedeelte in Postmus' hoofdstuk veel hooger dan het aanvallend. Een vurig bewonderaar en geestverwant van den dichter tracht diens innerlijke ontwikkeling na te sporen; hij ziet, wat een ander ontgaat, hij zoekt alle lichtpunten op en schildert zijn gestaltenis met de penseelen zijner liefde. Dit is reeds een hoogst verdienstelijke daad. Het is een veridealiseeren, doch dit veridealiseeren,

Sluiten