Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarom bij alle droomerij van dien tijd (!) hebben verzen als de Geestenwaereld blijvende waarde. Er zit ziel, er klopt een hart in. Of wat dunkt u ?»

Mijn hemel, roepen we uit, zijn voor dit vers geen andere woorden te vinden dan deze broze lof ? De Geestenwereld is de meest zuivere spiegel van dichters innerlijk. Denk aan van Hoogstraten. (Ik zal diens uitval met aanhalen in zijn studie over Hofdijk, blz. 61, hier te scherp).

Ondanks deze aanmerking blijft deze studie onmisbaar voor wie den mensch en ook den dichter Bilderdijk beter wil leeren waardeeren en begrijpen, zij is de onmisbare toelichting van een met Bilderdijk meelevenden calvinist. Zie b.v., hoe Postmus zijn Bilderdijk weet te vinden uit de brieven aan Feith, hoezeer niet in allen deele vleiend voor den dichter.

Voor ons hoofdstuk zijn het belangwekkendst, eerstens de kenmerking van Bilderdijk's jongelingspoëzie: «Bij het college met de befaamde spreuk: Kunst wordt door oefening verkregen verwerft de jonge Bilderdijk zich zijn gouden medailles. Dien weg schijnt hij op te zullen gaan. Jong bewierookt en van allen geprezen, maar — verloren voor de echte poëzie, gave Gods. Verloren ook voor het waarlijk nationale, het echt-Hollandsche. Straks ook het gereformeerde, de gereformeerde beginselen, verwerpend als verouderd. Geen oog ook voor het natuurlijke in den goeden zin. Bedorven door klinkklank. En het heeft Bilderdijk blijvend geschaad. Ongetwijfeld, hij is het te boven gekomen. De breuke bleef gelukkig niet uit. Maar het achttiend' eeuwsch pralerige werd nooit geheel overwonnen. De jonge revolutionnair Jacobus Bellamy was Willem Bilderdijk voor. Bellamy heeft nooit mee genootschapt. Hij ging zijn eigen weg. Hij ^zong maar niet het verhevene, hij was dichter: hij zong. Maar Bilderdijk is als zijn land. Holland heeft open grenzen. Maar God's wijde zee omspoelt toch zijn kusten. Ook in Bilderdijk zal de echte dichter opwaken; de dichter bij de gratie Gods. In De ware liefde tot het vaderland is metterdaad reeds iets van de echte liefde. Tusschen het gewirwar van holle woordenreeksen komen toch reeds echt-Bilderdijksche lijnen aan het licht. En die onuitwischbaar zullen blijken. Hij heeft wat te zeggen. Vereere hij ook den klinkklank zijner dagen; dwepe zijn ziel met wat hij dichtkunst waant: zijn blik is op het verleden gericht: hij tracht het heden, zijn vaderland, uit het verleden, uit de historie te verstaan.»

Daarna Postmus' eigenaardige en oorspronkelijke opvatting van den Elius. Wij zouden alleen om deze opvatting reeds wenschen, dat de Elius in ieder deel even schoon ware. Hier is een werkelijk fijne zielkundige ontleding.

«Zijn poëzie, zegt Postmus, nog een spelemeien, vaak een gedartel:

Sluiten