Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Minnekozing en Kusjens, kortom eenvoudig: (Z)ijn verlustiging. Niemand ontzegt er de waarde van, maar mijn zinkend Vaderland wat is het u!» Hierop zouden wij willen antwoorden: de waarde van een vers voor een natie, wordt niet altijd bepaald door zijn politieke waarde of strekking. Leere het slechts liefde voor de schoonheid der taal, het bouwt reeds veel op. Ook is een schoon vers niet voor een enkel tijdsgewricht geschapen. Ren dichter mag met de toekomst leven. Wij merken nog op, dat Bellamy, de «revolutionnair», dan veel vaderlandscher was met zijn krachtige opwekkingen, ik bespeur zijn invloed op enkele latere gedichten van Bilderdijk. Doch, spoeden wij verder.

«En dan straks op het ongedachtst heeft Bilderdijk zijn ernstig lied. Een lied, dat der Revolutie geen rust noch duur zal laten. En al weder: geen krijgszang toch. Geen — anti-marseillaise. Een lied, waarvan de dichter zelf de consequenties nog allerminst doorziet. Is het hem ook niet slechts gegeven ? Maar dat hij toch bij intuitie «(z)ijn beste werk > achtte ? Overmeesterd door zijn stofife komt de geest der poëzie over hem. En Bilderdijk is weer dichter. Hij zingt, wat hem gezegd wordt te zingen. Hij heeft slechts te getuigen: En hij getuigt.»

Ten onrechte noemt nu Postmus den in antieken versmaat gedichten, heerlijken voorzang /ra/m^-bilderdijksch. Neen, deze melodieuse voorzang staat bij geen enkel deel van den Elius achter.

t Bij Cats, Bilderdijk's leermeester, en ook in de Elius een dorst om leven te geven — voor het leven in den dienst des Heeren. Hèt groote verschil tusschen hem en ons neo-Calvinisten van het begin der twintigste eeuw is dit: ons nuchteren, ligt het zwaartepunt onzer historie in de zestiende en zeventiende eeuw; hem den dichter — in de middeleeuwen. Wij, voor ons, zijn < burgermenschen » ; hij waande zich zoon van ridders en edellieden. De bedoeling? Kampvechters Godes, kruis-ridders. Hoor hem slechts zelf:

< Ridder Elius, op wonderdadige wijze daartoe genoopt, komt der arme Heile, dochter van den christenvorst Diederik op haar burcht te Nijmegen ter hulpe in haar strijd tegen den heidenschen Segon als zij in den nood dreigt te bezwijken.» Enz.

< De zwaan wordt Elius ten gids. In heerlijke verzen vol edele bezieling schildert de dichter Elius' tocht en zijn strijd voor Heile, die hij ter elfder ure redt van een wissen dood. In hem gloriëert het Christendom, zwicht de aanval der heidenen op de edele weeze.

«Men heeft het slot misprezen. Ten deele zéér naar waarheid. Een romance duldt geen bespiegeling, ze is, behoort althans te zijn, enkel verhaal. Het is ook zoo.»

Sluiten