Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geroemd moet verder worden de breede behandeling van het gedicht

Uitboezeming (Hamburg): « Het is avond. De schaduwen donkeren

reeds naar binnen. En ziet — hij bidt...

O, Gij die met doordringende oogen De plooien van mijn hart doorziet,

Gij ziet mij voor U neergebogen En hoort mijn fluisterend avondlied.

Mogen we blijven toeluisteren ? De dichter zelf hield het lied jaren in portefeuille.»

De calvinisten helpen ons de poëzie van Bilderdijk cultiveeren, doch zij cultiveeren slechts een gedeelte. Ik raad een ieder aan Postmus' boek te lezen.

Een bloemlezing van Van Vloten, langen tijd de eenige verspreide uitgave van Bilderdijk, is op zichzelf ook reeds een kritiek, en dan wel eene, die van alle beginsel ontbloot is. De boekhandelaren houden haar voor een kompleete uitgave, zij is het niet. Zij is slechts een allertreurigst slechte keur. Verzen, die nooit in een bloemlezing hadden mogen gedrukt worden, vinden hier makkelijk een plaats. Andere gedichten moeten die plaats inboeten. Op het einde is het proces verhaast geworden, de ruimte was verbruikt. Vele der schitterendste uitingen in die laatste jaren ontbreken daardoor, ik noem o. a. van de meest beroemde: 't Gebed, Jezus' Intrede te Jeruzalem, de Dithyrambe Orde enz. enz., doch ook in den aanvang ontbreken er van de mooiste verzen. Mijn woorden reiken niet toe om deze uitgave voldoende te brandmerken. En welk een prachtige gelegenheid, welk een heerlijke ruimte was van Vloten hier aangeboden.

De beoordeelaar Lens acht de fout van Van Vloten's bloemlezing, dat zij te beredeneerd is.

Toch bewijst ook dit veel verspreide boek van Van Vloten, dat het niet de Calvinisten zijn, die het beste Bilderdijk's kunst, wijl de kunst in het algemeen, weten op prijs te stellen. Bij hetgeen anderen voor betere waardeering en kennis van Bilderdijk's poëzie gedaan hebben, staat het werk der Calvinisten verre en verre ten achter.

Daarbij komt nog, dat sommige godsdienstige bladen bijwijlen een hinderlijke, verregaande bekrompenheid in hun kunstkritiek toonen, welke bewijst, dat zij voor de schoonheid, deze heerlijke openbaring Gods, niet de minste ontvankelijkheid bezitten en haar dikwijls stoutweg bekampen. Hoe kunnen zij denken, dat God namaals de schoonheid zijner hemelen voor hen ontsluiten zalf Indien zij Bilderdijk beter begrepen, zouden zij ten deele van hun kwaal kunnen genezen, doch gelijk ik zeide, zij eeren in hem voornamelijk den partijgenoot.

ii

Sluiten