Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

twee der beroemdste dichttrgemeën, en beweert «wie heeft daar ooit aan getwijfeld». Het is nog niet alles, want: «Bilderdijk was een genie, zooals ons volk en ons land er misschien maar drie of vier heeft voortgebracht, wiens persoonlijke weerga wij b-v. in de negentiende eeuw verder te vergeefs zoeken. Hij bezat al de kenmerken van het geniale, van zijn reusachtige werkkracht tot zijn geweldige verbeelding toe.» Echter: «Dit doet niets af tot het feit, dat wij, die toch ook nog steeds Hollanders zijn, in een Shelley of Goethe ons ieder uur van den dag kunnen verzinken als in een meer van schoonheid, terwijl Bilderdijk's gerijmel slechts onzen lachlust, onzen weerzin of onzen wrok wekt. > Wij vragen den heer van Ravesteyn, of hij inderdaad nog steeds Hollander is, wanneer hij dit schrijft; hij moge mij dan gerust van chauvinisme beschuldigen. En wil men nu weten, wat de oorzaak van dit vreemde verschijnsel is? Ziehier de sleutel, dien de criticus ons geeft: «In een land als het onze kon op het einde der achttiende eeuw, waar de oude productievormen en de oude ideeën waren verrot en bedorven, terwijl de nieuwe zich hoogstens konden voortplanten als schimmel of onkruid, kon geen man, ook de geniaalste niet, dien waarachtigen vorm vinden voor brandende gevoelens, welke den dichter maakt. Tegenover de macht der economische verhoudingen en den algemeenen geestestoestand, welke zij scheppen, vermag ook het genie niets.» Men begrijpe dus voortaan, hoe de vork in den steel zit. De economische verhoudingen hebben een genie zoo groot als Goethe en Shelley, een genie, dat alle literaturen der wereld kende, verhinderd om iets meer te worden dan een lachwekkend rijmelaar. Gelukkiger Duitschland, gelukkiger Engeland! Doch gelukkigst de schrijver, die het raadsel oploste.

De redacteuren van het alweer overleden tijdschriftje «Poëzie», Herman Poort en David Moolenaar, die de kunst van Boutens en Karei van de Woestijne bleken te begrijpen, beijverden zich ook om den bruisenden stroom nog tegen te houden en Kloos af te brengen van de slechte wegen, die hij in gaat slaan.

«Den bruisenden stroom». Ja, een bruisende stroom is het! Langen tijd heeft men Bilderdijk, dien machtigen vloed, beteugeld, dammen tegen hem opgeworpen. De winter kwam voor hem, de ijsschotsen kruiden. In dien tijd groeven ijverige handen gaten en breuken in die koppige, breede, trotsche dijken. En de doorbraak kwam! de ijsschotsen gevaarlijk opgekruid, hielpen mede; de doorbraak kwam! op hoe langer hoe meer plaatsen! krachtiger, sterker ging de vloed opzetten, het begon ook al te donderen en te knallen, en nog immer bruisen die nieuwe stroomen naar binnen en zweepen hooger en hooger hun gulpende golven over de verwonnen wederstand, een wederstand, die niet meer helpt.

Sluiten