Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn van technische knapheid, maar wel degelijk de weergave van iets inwendig-zingends bij hem moet zijn geweest.»

Ook erkent Kloos, dat Bilderdijk de theorie der tachtigers omtrent de dichtkunst reeds in essentie en voor het eerst in ons land verkondigde, dat hij in groote, algemeene trekken, het ware wezen der dichtkunst heeft blootgelegd.

Nochtans rangschikt hij hem onder onze dichters van den tweeden rang, en dit, ofschoon hij erkent, dat Bilderdijk's leerling Da Costa soms naast John Milton komt te staan.

Ondanks het overwoekerend oppervakkige in deze studie, geeft Kloos enkele malen beschouwingen, die gelukkiger zijn. Omtrent God en de Mensch: « Bilderdijk toont zich in zijn gedicht door den hoog-gedragenen, harmonisch-rustigen algemeenen toon en de klaar-onderscheidende, rechtdoorloopende uitwerking der deelen, als een dichter, die de klassieken kent, en weet hoe die het beste deel kozen, door nooit uit te vliegen boven zichzelven, maar altijd in den juisten toon te blijven, die geheel in hun macht was, en alleen datgene te zeggen, niets meer, maar ook niets minder, dan wat juist op het oogenblik, dat zij onderhanden hadden, gezegd worden moest. Van 't begin tot het einde is dan ook Bilderdijk's gedicht een niet «overdondrende», maar overal indrukwekkende, en ons geen oogenblik loslatende breed-sterke zang.» Hij roemt * den statigen eenvoud, de breede rustigheid, onder wier kalm-sterk golvend oppervlak de diepte van Bilderdijk's geest zich laat voelen, en die, door het heele gedicht heen, voortduurt.»

Hoeveel meer gedichten van Bilderdijk verdienen minstens dezen lof.

Moge Kloos door de vaaglijk-mistende lucht, aan den verren einder, de andere landen waarnemen, die hem nu nog verborgen waren in Bilderdijk's poëzie.

Ofschoon de Kormak volgens Kloos leesbaarder is en levendiger, verkiest hij de Willem van Holland, dat beschouwd moet worden als een dramatisch gedicht, of een gedicht in gespreksvorm: «I.)e tijdgenoot van Koning Lodewijk van Holland schreef natuurlijk geen modern realistisch, psychologisch drama, hij wilde alleen een treurspel maken in den wel wat stijf-gratieuzen, maar toch niet onbekoorlijken style-Empire. En Bilderdijk is daar uitnemend in geslaagd. Het stuk doet, zooals bijna alles wat in dien tijd werd geschreven, voor den modernen smaak een beetje conventioneel, maar er zit toch toon in, en een harmonie van beweging, die het nog heden leesbaar doet zijn.»

Zeer roemt hij de vertaling van Ossian's proza: «De inhoud kwam wel niet van hem zelf, maar hij weet dien te geven in een breed-heenzwierend,

Sluiten