Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Boeken en Kloos op, en laakte hun houding in dezen. Echter had hij sympathie voor Kloos' nieuwste Bilderdijkoordeel, zelf geen bewonderaar zijnde. Wij gelooven, dat Koster, hoewel zoo belangrijk Nederlandsch dichter, zich door zijn buitengewone kennis van en liefde voor de Engelsche letteren, laat verleiden dezen Nederlandschen dichter te onderschatten.

Wil men nader weten, hoe Boeken schrijft: aldus vangt hij aan.

«Wij wisten het allen wel: er was een reus in onze literatuur of laten we liever zeggen: in het meest vlakke land onzer literatuur was een berg, een hooggebergte tusschen allerlei lagere bergjes en heuveltoppen in. Maar wie van ons had ooit dat hooggebergte beklommen of ook maar uit de dalen en vlakten er rondom goed gekeken, of het aan alle kanten door kale rotswanden ontoegankelijk was gemaakt, dan wel of er ook schoone bergweiden tegen opglooiden, trotsche wouden er tegen op klauterden, snelle beekjes er af murmelden en klaterden of wat voor andere heerlijkheden zich om hooggebergten plegen heen te reien of er af te vloeien? Het was en bleef voor ons een berggevaarte, in mistige verte gezien, noch in onderdeelen noch in omtrekken juist aan ons bekend.»

Wie staat niet verstomd over zulk schrijven, die weet, dat de tachtigers wel degelijk en zeer vaak hun positief oordeel over Bilderdijk gaven? «Maar zie», vervolgt Boeken, «een gids heeft in eenzame stilte een groot werk voor ons volbracht.... En voor ieder is nu, door zijn aanwijzing of persoonlijk geleide, het speelreisje mogelijk naar de vroeger ontoegankelijke hoogten, ieder kan nu het gebergte in zijn liefelijkheid en eenzaamheid van dichter-bij genaken.» Indien onze verbazing bij dit overigens slechte proza nog klimmen kon, zij zou het doen. Het eerste woord over Bilderdijk heeft geklonken, en.... het is een godenwoord! Niet meer heet Bilderdijk de dichter met den doodenden Medusakop. Armzalige, door onze strijdvaardigheid afgedwongen bewondering, die ons nu zelf ten voorbeeld wordt gesteld.

«Daar staat Bilderdijk nu voor u,» aldus introduceert Boeken «als een zeer belangrijk persoon in onze letterkunde».

En hij beoordeelt Kloos' boek aldus: «eene studie, waarmede ik vind dat deze kunstrechter aan het weidsch oprijzend historisch-kritisch gebouw zijner literaire kronieken eenen trotschen en wijd in het rond zichtbaren trans heeft opgezet, trans, bekroning van het reeds voltooide, tegelijk onderbouw voor het geene nog te bouwen is.» Indien dit waar was, zouden wij voor goed met Kloos als criticus afgerekend hebben, doch gelukkig heeft hij ook belangrijker hoofdstukken geschreven.

«Hier geeft Kloos», vervolgt de altijd ree staande bewonderaar, «voor het eerst een geheelen persoon, zooals hij was en zich ontwikkeld had

Sluiten