Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meester boeit, doch bindt; 't genie, zelf geïnspireerd, geeft inspiratie en maakt vrij. De maestro wil in zijn discipelen herleven, maar Bilderdijk is hiervoor te koninklijk van geest. Hij dreef de jongeren voor zich uit. Door hen moest, als hij niet meer zijn zou, zijn record geslagen worden. Altoos Excelsior! En zoo is 't gegaan. Da Costa geeft geen naklank, maar tokkelt een eigen lier. En nu nog, breed is de kring die dankbaar erkent uit Bilderdijk iets in de ziel ontvangen te hebben, wat die ziel in zichzelf niet had, maar niet één onder die allen die bij Bilderdijk zweert; die Bilderdijk nakunstelt; die zijn absolutisme als 't zijne belijdt; zijn buitensporigheden goedpraat; niet één die epigoon van den machtigen man poogt te wezen. Cats is nagerijmd en Catsiaansche «desalniettemins» worden den zelfvoldanen Zorgvlieter soms nog niet onverdienstelijk nagezongen. Maar zie nu in Cats dan ook de tegenstelling. Cats doet nóg dienst, doch alleen als model, Bilderdijk zet in gloed door de vonk van zijn genie. »

Tegen de neerhalende kritieken spreekt hij verontwaardigd: « Als Stern, Duitschland's groote literair-historicus, u zegt, dat de «Ondergang der Eerste YVareld», waarin de zang van Elpine, < an Diirre und Trockenheit wetteifert mit seiner Lyrischen Dichtung»; of Scherr, zijn evenknie, smaalt op Bilderdijk's weerzinwekkende < Hollanderei », dan hecht ge hier niet aan, want Stern noch Scherr hebben Bilderdijk ooit zelf gelezen. Maar landgenooten te beluisteren, die zelf in onze moedertaal soms zoo roerend schoon dichten, en Bilderdijk dus konden kennen, en dan van hen te hooren: Bilderdijk geen dichter', hoe rijmt ge dit?» Dr. Kuyper ziet dan de oorzaak in verschil van beginsel, van kunstopvatting en trekt te velde tegen «de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie». « Alsof», zegt hij, «alsof niet elke kunst, zij 't onbewust, aan vaste determinanten gehoorzaamt, en diens ideale grondlijnen volgt, die, eens in goud gearceerd, van zelf classiek zijn; en ook alsof de in natuur en levensbedrijf ingeschapen symboliek niet van zelf de gemeene taal voor 't dicht van alle eeuwen moest worden.» Wij wenschten, dat deze beide beginselen vereenigd konden worden en gelooven dat dan eerst de hoogste kunst voor Nederland zal geboren worden en de partijen elkander de hand reiken. Gelijk een dichter zijn internationale beteekenis dient door nationaal te zijn, zoo dient hij het algemeen ware door individueel waar te zijn. Doch dit verhindert niet, dat zijn beteekenis mede stijgt, ja dat het noodzakelijk voor hem is, wil hij niet op een dood pad uitloopen, om het universeele leven na te voelen. Omdat de mensch op zichzelf niets is. En dit vergaten te dikwijls de tachtigers. Doch, ik vraag, is er een universeeler gedicht dan de Divina Commedia en tegelijk is er een

Sluiten