Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft hij uit die diepten opgehaald; nieuwe zielsexpressie heeft hij in de taal ingetooverd; het levensbloed dier taal heeft hij weer tot in haar afgestorven uiteinden doen doordringen; en in de kracht zijner dagen heeft hij uit Oud-Delftsche kan, in fonkelende alembiek ons zijn echt Hollandsch taaibrouwsel, zoo donzig en zoo goudblond en zoo witschuimsch ingeschonken, dat de fijnproever er vroolijk bij werd. En die taal had hij niet uit den volksmond opgevangen. Neen, uit het ééne blad gistte hij heel den boom, uit één toon greep hij heel 't accoord. Zijn Hollandsch hart tooverde hem Holland's taal voor 't bewonderend oor. Dit heeft hem parten gespeeld in zijn taalverklaring, doch na Hooft en den Staten overzetter, en na Vondel, den Prins onzer dichters, is geen taalvoeler, geen taalverrijker, geen taalsmeder en kneder, geen taalborduurder en taaltoovenaar, dus aller eenparig getuigenis, als Willem Bilderdijk onder ons opgestaan.

Hij heeft als over een kind zijner liefde, over die bedreigde taal zijn machtigen arm uitgestrekt. Hij heeft niet alleen het dorre taaihout weggebroken , opdat de groene twijg weer mocht uitloopen, maar zelfs in het kleed der taal, d. i. het schrift, spelling tegenover spelling gezet. En nu, dat in onze nieuwe spelling Siegenbeek heeft afgedaan, dat de poëzie in onze taal weer opleeft, en dat ons Hollandsch proza, zelfs bij dat van Bilderdijk vergeleken, goud voor koper werd; ja, dat onze heilige moedertaal verjongd, verfijnd, veredeld, en van teringziek weer blozend van gezondheid is geworden, dit heeft onze natie, meer dan aan één aan Bilderdijk te danken. Het was Bilderdijk, die, toen een vaalheid als des doods over haar toog, onze moedertaal heeft gered.»

Enkele ernstige aanmerkingen voel ik mij evenwel verplicht te maken. Kuyper haalt aan, wat de Engelsche dichter Robert Southey, Bilderdijk's tijdgenoot, Cunningham toezong (door Da Costa vertaald):

Maar wie dan toch is Bilderdijk?

Een man die op zijn borst

De scherpste pijlen van den tegenstand ontving.

Rijk, onuitputtelijk rijk poëet en wijsgeer;

Dat kleine Holland, dat geen ander wijkt In kloeke, in schoone, in schitterende daden,

Telt onder al zijn groote mannen één,

Die, sprak hij ónze taal,

Vast heel Europ' vervuld had met zijn glorie.

Dit is mijn vriend, die Bilderdijk, aan wien En eerbied én bewondering mijn ziel Verbinden bij het warmst gevoel des harten.

Sluiten