Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In zijn aanteekening schrijft Kuyper: «van Rembrandt is zijn afdolen met Hendrickje overbekend.» Och kom! is dit afdolen? Afdolen zou het alleen genoemd kunnen worden, dat Rembrandt aan de maatschappij niet erkenning vroeg van zijn echt. Dit is geen zinnelijke vlek, doch een sociale fout. Doch waarom deed Rembrandt dit niet ? Omdat zijn finantiën het den geestelijken millionair niet veroorloofden, omdat de maatschappij dezen kunstenaar arm liet, zich afwendend van zijn eens bewierookte kunst. « Rembrandt dorst geen tweede huwelijk aangaan, daar hij dan verplicht geweest zou zijn, de helft van Saskia's vermogen, dat ƒ40.000 bedroeg, aan zijn zoon Titus uit te keeren. Dat geld nu bezat hij niet meer, had het in zijne rijke verzamelingen gestoken.» (Dr. Bredius). De fout lag dus bij de maatschappij zelve, niet bij den kunstenaar, wiens schilderijen op verre na hun waarde niet opbrachten, en wiens schitterende verzameling voor vijftienduizend gulden verkocht werd.

Over Shelley schrijft Kuyper: «Van Byron en Shelley is hun losheid van zeden te bekend, om nog bespreking te behoeven,» en nog eens: «terwijl Shelley, Goethe, Byron, Schlegel e. a., er, als men zich zoo mag uitdrukken, maar op toe leefden. Bij die anderen ging dit schaamteloos enz.» Dit is meer gezegd dan de schrijver verantwoorden kan.

Shelley, een onervaren jóngeling van 19 jaar, werd door Harriet Westbrook, die een beroep deed op zijn ridderlijkheid, overgehaald haar te schaken uit het tirannieke ouderlijke huis en haar te Edinburg te huwen; men heeft het sterke vermoeden, dat Harriet door haar eigen familieleden hiertoe werd aangezet. (Shelley was voor haar een schitterende partij.) De straf blijft niet uit: Shelley verlaat haar en huwt later Marie Godwin. Harriett is spoedig zelf in andere avonturen gewikkeld, en verdrinkt zich helaas. Natuurlijk kreeg Shelley de schuld.

Zijn beroemd « Epipsychidion» gewijd aan de gravin Emilia Viviani is een Platonische liefdeshymne en heeft dus met «er op los leven» minder te maken.

Bilderdijk's fout, indien wij den vinger op de wond mogen leggen, is: niet zijn zinnelijkheid, doch zijn gebrek aan beheersching dier zinnelijkheid: «ik kan niet leven buiten een vrouw» schrijft hij zelfs, hetgeen m. i. een schuldige uiting is; en zijn onmannelijke verbloeming van de waarheid, waar hij tot tweemalen toe betuigingen van trouw schrijft aan vrouwen, die hij reeds lang ontrouw geworden is. Dit is kwader dan zijn zoogenaamd < buiten echt» leven met Wilhelmina Schweickhardt. En waar is ook, wat Kuyper schrijft van Odildé: «In haar karakter heeft Bilderdijk zich bedrogen, en het was poëtische zelfverblinding, dat hij jaren lang deze vrouw als vrouwelijk ideaal verheerlijkte.»

Sluiten