Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dichter. Populair in den zeer algemeenen zin des woords is meestal alleen die schrijver, die deelt in de zwakheden, de fouten en tekortkomingen zijner natie. Bilderdijk met zijn Oosterschen gloed en vlammende verbeelding, staat lijnrecht tegenover de nuchterheid der Hollanders. Laat men nu eindelijk eens begrijpen, dat Bilderdijk niet met den maatstok der Hollandsche duinen mag worden beoordeeld. Van Thorbecke. een staatsman van groote beteekenis, maar toch geen genie als Bilderdijk, zeide een Engelschman terecht: too great a man for such a small country' Nog meer geldt dit van Bilderdijk. Muller gispt alleen, dat Bilderdijk bijkans geen antieke en vrije versmaten beoefende en, gelijk Vondel, te veel opgesloten bleef in de Bijbelsche wereld. (Opr. Haarl. Ct.)

Wij komen thans tot de Gids-studie van Scharten (Oct. en Nov. 1906). Wonderlijk was het in De Gids, die zoo geruimen tijd niets over Bilderdijk publiceerde, nu plots zulk een onverwacht hevige fanfare voor den dichter te hooren blazen. De studie van Scharten trok dan ook de aandacht. Vóóraf echter eenige opmerkingen. De heer Scharten is nogal losbandig in zijn optreden en ik voel mij genoodzaakt daartegen het scherp der kritiek te richten.

Allereerst de onderteekening: 1902/1906. Deze onderteekening moet onjuist zijn. Immers: Scharten's geheele studie is één groote verheerlijking van den dichter. < Het doel der studie », schrijft hijzelf, «is de duizeling-

wekkend-steile hoogte te doen vermoeden !> In October 1903 evenwel

sprak Scharten nog in De Gids van Bilderdijk's muil, die hij openspalkt(!) en vergelijkt zijn verzen met te sterk afgetrokken theewater!

Deze termen nu staan in de schrilste tegenstelling met den inhoud van zijn Gids-studie, zoodat de datum 1902/1906 om het eerste jaartal door ons onmogelijk aanvaard kan worden. Ik wijs er met nadruk op.

Verder noodzaakt Scharten mij eenige rechten te doen gelden. Hij achtte mijn Bilderdijk-bloemlezing de beste der Bilderdijk-uitgaven tijdens de herdenking, doch schrijft daarbij hooghartig: «De voorrede er toe is onbeduidend en vrij slecht geschreven, de opmerkingen bij de gedichten, voor zoover die niet van anderen zijn, schaden niet zelden door weinig raken of overdreven lof» (terwijl hij ten onrechte het vers, dat den bundel opent, laakt). Toch schroomde Scharten niet bij zijn Gids-studie in veel op die bloemlezing, voorrede en aanteekeningen en mijn vroegere artikels over Bilderdijk te steunen.

In 1904 Febr. beoordeelde ik in Groot-Nederland Huet scherp voor zijn behandeling der Nederlandsche dichters. Toen gold het vooral de 17e eeuw en Vondel. Het artikel verwekte opzien. Kloos temperde een jaar later op sterke wijze zijn lof aan Huet (den koning der critici, sic). Ik herinner

*3

Sluiten