Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorts aan uitingen, die van veranderde gezindheid blijk gaven, zoo bijv. het opstel over Huet en Potgieter van De Vooys, de voorrede van Kalft tot Dichters van den ouden tijd. Ik herhaalde spoedig in andere artikels mijn aanval op Huet, ditmaal voor zijn houding tegen Bilderdijk (zie blz. 3, 4, 36).

Voorts laakte ik scherp de houding der tachtigers jegens Bilderdijk en steef mijn betoog met aanhalingen. Ik beweerde, dat Bilderdijk's invloed op de poëzie volstrekt niet geëindigd was, doch in de toekomst integendeel zou toenemen.

Aldus ook Scharten. Hij verwijt den tachtigers in plaats van zich tot Bilderdijk te wenden den rationalist Huet te hebben lofgeprezen. En voorts: » Het jonge geslacht, dat weer wat helderder het verleden doorziet, zweert dus niet Bilderdijk af maar Huet en zijn verstandelijkheid. En het gaat nog verder. Niet alleen vindt het in Bilderdijk de schoonheden, die ook in de kunst der tachtigers blijvend zijn, maar tevens vindt het in Bilderdijk kostbare elementen voor de toekomst, die het in de tachtigers miste: de Eenheid van metrum en rhythme, de krachtige architectuur, de groote lijn.»

Ik beweerde, dat de kunstbeginselen, die de tachtigers vooropstelden, reeds lang door Bilderdijk gepredikt waren. Eerst schreef Kloos dit na, zonder mijn naam te noemen (zie blz. 20—29), daarna Scharten: «Toen bouwden zij (de tachtigers) hun hoogaltaar voor de Ware Poëzie, niet vermoedend , dat het nageslacht daarop griffelen zou: « mijn onbekende profeet is Bilderdijk geweest.» «Ik wil er op wijzen, dat ik in de inleiding tot mijn bloemlezing verder ga, waar ik schrijf: «op de schittering zijner taal, op de groote beteekenis van zijn metriek en versbouw voor de Nederlandsche dichtkunst, waardoor hij een overgang vormt van het gouden tijdperk naar de tachtigers.» Niet dus alleen profeet, ook wegbereider. Zonder Bilderdijk, beweer ik, geen poëzie der tachtigers. Doch dit wil men niet inzien.

Ik laak Huet in het bijzonder voor zijn typeering van 't Gebed, dat hij «koud» noemde en schreef: «We denken eerder aan den adelaar, wiens boezem blaakt en brandt», benevens: »Zoo schreef een grijsaard, die de 70 voorbij was.» Veertig jaar had Huet ongestraft zijn verkeerde karakteristiek gegeven, toen ik die verwierp. Een jaar later schrijft Scharten (ook het «marmerkoud » van Huet veroordeelend): « Hooren wij niet, nog van den meer dan zeventigjarigen dichter, dat ziedend omhoog-hijgen van de ziel met geweldige kracht het duizelingwekkende en duizelingwekkend-schoone «'t Gebed » doorstormen, waarvan gij de eerste beide strofen kent.* Terwijl ik een esthetiek geef van het vers en zijn strofenbouw (zieblz. 36), stamelt hij slechts een paar keeren: «duizelingwekkend».

Sluiten