Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemerkt, doch ditmaal wensch ik tegenover Scharten's hooghartigheid rechten te laten gelden, al wilde deze erkennen, dat bij «het groot aantal schoone, voor een deel niet zoo heel bekende verzen van den grooten dichter bijeen » waren gebracht. Ik ving den veldtocht voor Bilderdijk aan (met mijn artikels in De Amsterdammer Maart 1905 en gedateerd Aug. 1904) en andere artikels in 1904 en 1905, zette die in tal van tijdschriften en bladen, ook met mijn bloemlezing voorjaar 1906 voort en in de herdenking had ik het werkzaamste aandeel. Steeds beet ik de spits af en stond op de bres, hoon en spotternij waren aanvankelijk het deel, tot de beweging slaagde, en zij, die in de achterhoede marcheerden met de eere gingen strijken. Ook den heer Scharten was dit genoegen gegund.

Doch deze zaak thans ter zijde gesteld en de studie eens met het oog van den onverschilligen lezer beschouwd. Scharten behandelt eerst den mensch Bilderdijk.

«Gravende voor zijn voet, hebben zij de onmetelijke hoogte van dit barre rotsgevaarte slechts te onmetelijker gemaakt. > Hij acht « de Kunst de beste werkelijkheid » en « met in ons als een stuwend fluide de schoonheid, die wij aanschouwden, zoeken wij ook dit menschelijk bestaan inniger te begrijpen.» Door een reeks van scheldwoorden rekent hij eerst met Bilderdijk's gebreken af en gaat hem dan verheerlijken.

De band met Wilhelmina Schweickhardt, zegt Scharten, Bilderdijk verdedigend, was niet door priesters, maar door God gelegd, en daarom heiliger dan een maatschappelijk huwelijk. Bilderdijk uitte zich zelf met eenige versregels in dezen zin. Bilderdijk's houding jegens Catharina Rebecca is niet fraai, toch tracht Scharten den dichter eenigszins te verontschuldigen.

« Het gedichtje, waarin hij ('t begeleidde een miniatuur-portret van hemzelf, dat voor borstsiersel bestemd was) de eigen beeltenis toezong:

En, als ge in spijt van haat en dwingelanden,

In mijne plaats op 't zuiverst harte rust,

Heur blanke borst of eeuwig dierbre handen,

Als sluiksgewijs, met koude lippen kust,

O meld haar dan . . . . ,

< Hoe valsch!» zegt ge, en mogelijk hebt ge gelijk, maar ik kan er niet aan doen, ik hoor door die wonderlijk-ontroerende, huiverende verzen varen een klacht over vergane dingen: o, die < koude > lippen der doode beeltenis, die haar handen, haar borst zullen aanraken, nóg ééns,« sluiksgewijs . . . .» Had deze vrouw niet, eenmaal met hem getrouwd, met kilheid al zijn gloed beantwoord, tot ten laatste die kwijnde en uitdoofde....

Sluiten