Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of smeulde? Ligt niet in deze regels vastgehouden — zij 't dan onwillekeurig, doch daardoor des te treffender — de tweeledige bekentenis van den dichter aan zichzelven: < alles is uit tusschen haar en mij, al zoolang, en toch!» ....

Hij geeft Huet gelijk, waar hij Bilderdijk vergeleek bij een ijzeren zuil en een koperen muur, en vergelijkt zelf den dichter bij een trotschen palm met metaalglanzende bladeren en een fieren pauw.

« Gij kent dien majestueuzen en raadseligen vogel wel, dien soms over het zonnig terras van een kasteel gij schrijden zaagt, beslepend de witmarmeren steenen met zijn vonkelend gewaad?

Zijn goudachtig blauw- en groen glanzende borst zwol van hoogmoed en op zijn scherpen kop trilde het trotsche gravenkroontje.

Uan spreidde zich plotseling hoog om hem uit een aureool zóó wijd, dat zijn eerst zoo statige gestalte nauwelijks meer zichtbaar was. Honderden smaragd-gloeiende oogen schenen van uit een spheer van koper-glinsterende vederen-kruiving naar alle zijden heen te staren .... beweegloos stond daaronder, als verstard, het diep-blauw lijf.

Langzaam dan keerde de stralende pronk zich van u af en eensklaps zaagt ge, hoe de plompig-hoornige pooten op hun leelijke tenen traden en daarboven een schokkend veerenschudden schaamteloos het zediggrijzig wijfje lokte.

Maar de bevende waaier van zijn staart zonk weder samen tot een slanke sleep, de zware vlerken sloegen uit en met een heftig klapwieken vloog hij op eene balustrade, waar hij gloeide, turkoois, aan den lichtendblauwen hemel.

Plotseling schriktet gij en gij voeldet uw hart bonzen: een schrille schreeuw, doorborend, had weerklonken over het middag-stille park; en weer gilde de wild-smartelijke stem .... was het een teeken, een profetische kreet — of het jammerlijk gekrijt van een ziel in nood?....

Wanneer gij thans een pauw ziet, lezer, gedenk dan Bilderdijk.» Applaus.

De verheven schittering en ijdele schoonheid van Bilderdijk wordt in deze karakteristiek goed uitgdrukt en aan de andere zijde het bijwijlen plompe en satyr-achtige van zijn natuur. Gelijk in de trotschelijk pralende poëzie van Dante, hoewel die zijn karakter en poëzie nog meer dan de Teisterbantsche droomer wist te adelen, zal men evenmin als bij Bilderdijk dien beminnelijker eenvoud en zacht-innige ontroering vinden, als bijv. de breedruischende reien van de Gijsbrecht bewegen en al Vondel's «zoete kelen.»

De meeste belangstelling boezemt ons natuurlijk het deel in, dat over den dichter handelt. Scharten geeft van verschillende gedichten een goede esthetiek.

Sluiten