Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

e. Samenstelling der gewapende machten.

Art. 3.

De gewapende machten der oorlogvoerende partyen kunnen bestaan uit strijders en niet-strijders. Ingeval zij door den vijand worden gevangen genomen, hebben beiden recht op de behandeling als krijgsgevangenen.

/ij, die op eigen gelegenheid den kleinen oorlog voeren of strooptochten maken en van wie liet bewezen is, dat zij zich daarbij nu als krijgslieden in uniform of met een op hun kleeding vastgehecht teeken, dat hen als oorlogvoerenden doet kennen, dan zonder uniform of teeken als burgers vertoonen, hebben geen aanspraak op gelijke behandeling als de soldaten en kunnen, vooral wanneer zij op heeterdaad worden betrapt, voor den krijgsraad gebracht en als roovers gestraft worden.

(§ IX 4 Russ. voorstel; blz. 31 Fr. manuel.)

Dit laatste komt niet voor in de Brusselschi' Conferentie. Het is, blijkens protocol XII. alleen achterwege gelaten, „oni <le taak der commissie gemakkelijk te maken," d. i. om geen ."•trijd te doen ontstaan tusschen de gemachtigden, die geen bezwaar zagen positieve regelen te stellen en andere die, om redenen van politieken of staatsrechtelijken aard, alleen in negatieven zin verklaringen wilden vaststellen. Om aan soortgelijke bezwaren tegemoet te komen is de bepaling noch opgenomen in de Handleiding van het Instituut noch in het Reglement van de Haagsche Vredes-conferentie. Toch volgt zij uit de aangenomen bepalingen omdat deze personen niet worden genoemd onder de categorieën, welke de rechten van oorlogvoerenden genieten.

Hoofdstuk II. Van i>k Krijgsgevangenen.')

n. Algemeen.

Art. 4.

De krijgsgevangenen zijn in de macht van de vijandelijke

1) Daar soms twijfel wordt geopperd omtrent het nut der Haagsche \ redesoonferentiën, omdat men meent dat de bepalingen ervan in tijd van oorlog niet zullen worden nageleefd, verdient het te worden opge-

Sluiten