Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beschouwing over spionneeren.

Ofschoon spionneering. krijgsverraad, landverraad en oorlogsrebellie niet even strafbaar zijn, worden die daden echter veeltijds met dezelfde straf en wel niet de doodstraf bedreigd. Bij een goed recht behoort de straf geëvenredigd te zijn aan het misdrijf. Het opleggen van een éénige straf voor verschillende niet gelijksoortige feiten, schijnt derhalve onbillijk.

Het feit van spionneeren zelf kan een zeer verschillend karakter dragen. Die door den vijand goed is ontvangen, diens vertrouwen heeft weten te verwerven, doch van dat vertrouwen misbruik maakt, en wat hij zag of hoorde voor geld overbrengt, is verachtelijk en verdient de doodstraf. Zelfs hij, die in een door den vijand bezet gebied is blijven wonen, doch van de rust en den vrede, dien deze hem daar laat, misbruik maakt tot spionneeren. is, ten aanzien van den tijdelijken gebieder, strafbaar, want hij heeft zich aan eene misdraging schuldig gemaakt, al kan men de daad niet trouweloos noemen, omdat de occupator geen aanspraak op trouw kan doen gelden. De burger daarentegen uit een door den vijand niet bezet gebied, die, zonder eenig vertrouwen gezocht of verworven te hebben, uit liefde tot zijn vaderland, 'svijands stellingen opneemt of, den marsch van diens colonnes bespeurende, zich haast daarvan kennis te geven aan den commandant van het leger, die man doet eene eerlijke daad, soms zelfs die van een waarachtig held. Al noemt men hem spion en al heeft men aan dien naam eene verachtelijke beteekenis gehecht, de occupator kan den man niets anders verwijten dan dat hij als burger zich met den oorlog, die tusschen de erkende strijdkrachten der Staten wordt gevoerd, niet had behoeven in te laten. Aan zijn vaderland bewijst hij soms op eerlijke wijze een grooteren dienst, dan in de gelederen kan bewezen worden. Doch juist dit is oorzaak, dat de legerhoofden, door uiterste strafmiddelen een afschrik hebben in het leven geroepen, en dat zij, minder op logica dan op hun bering lettende, getracht hebben algemeen aan de daad het eerloos karakter te geven, dat alleen den verraderlijken spion toekomt. De straf des doods door den kogel of den strop, den spion meest altijd opgelegd, werkt zoowel preventief als repressief.

Het oorlogsrecht ziet slechts naar het gevaar dat de verspieding kan opleveren, onverschillig of zij van een misdadigen of een edelen aard moge zijn. De vijand is geen strafrechter, die op bedoelingen let; hij zorgt slechts voor zijn eigen belang en handelt strenger, naarmate dat eigenbelang meer bij de zaak is betrokken; vandaar dat alle spionneering met den dood wordt gestraft. Volgens Bluntschli (§ 6:28j is dit echter niet het geval. Hij zegt: „dat de practijk van den nieuweren tijd ook hierin milder is geworden, en zich dikwerf met geringer straffen, vooral met gevangenisstraf, vergenoegt." Die mildere practijk is mij niet gebleken.

Sluiten