Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het oorspronkelijk Duitsch voorstel eindigde de eerste alinea van . artikel 64 met twee woorden, welke eraan waren toegevoegd, n.m. met mhne consentis, d. w. z. dat zelfs van door onzijdigen vrijwillig aangeboden diensten geen gebruik mocht worden gemaakt, terwijl in een tweede lid werd vermeld, dat tot die diensten worden gerekend alle diensten in leger of vloot in hoedanigheid van strijder, raad enz., en een volgend artikel bevatte de bepaling dat de onzijdige Mogendheden gehouden zijn hunne onderhoorigen te verbieden zich te verbinden om oorlogsdiensten in de strijdmachten aan een der oorlogspartijen te verrichten.

Artikel 64 vond in de Commissie van onderzoek ernstige bestrijding, ook bij S. met het oog op de vreemdelingen welke in het O.L leger dienen en zich ook in de Indische brigade bevinden. J)

Daaraan had de 1ste alinea van art. 65 haar ontstaan te danken. De '2e alinea werd in de Commissie na ernstige bestrijding er aan toegevoegd, vooral op aandringen van den Eerste Gedelegeerde van Noorwegen, den heer Hagerup, omdat in Noorwegen en in sommige andere landen, alle ingezetenen, onverschillig van welke nationaliteit, dienstplichtig zijn.

Daarop volgde een artikel volgens hetwelk van tle onderdanen van onzijdige Staten, die zich in een bezet gebied bevinden, geenerlei oorlogscontributie kan worden geheven, met welk woord niet de gewone belastingen, maar alle geldheffingen of requisities, welke tot een krijgsoogmerk worden opgelegd, werden bedoeld.

Dit vond verzet van Fransche zijde (Renault) en van Engelsche (Lord Reay) en ook van de zijde van S.

Onbillijk scheen het dat vreemdelingen in een gunstiger verhouding zouden komen dan eigen landgenooten, ook uit practisch oognunt bezwaarlijk toe te passen. r) De Fransche Delegatie stelde daarom voor om te bepalen:

De eigendom van neutralen zal door ieder oorlogvoerende behandeld worden:

1". op zijn eigen territoor als den bijzonderen eigendom van zijn landgenooten;

2". op vijandelijk territoor ah den bijzonderen eigendom van de onderhoorigen van den vijandigen Staat.

Het Duitsche voorstel werd door S. krachtig bestreden, met uiteenzetting van de redenen. 2)

1) Verslagen van de zittingen der 2e sub-commissie 2e commissie van 26 Juli en van 2 Augustus 1907, en het Rapport der Commissie aan de Conferentie. .

2) Zie de reden van S. in de zitting der 2e Commissie van 4 September.

Sluiten