Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diplomaten allerminst geneigd waren aan andere organisaties of lichamen, — die toen nog zelfs niet bestonden en pas in de geboorte waren, — dan de militaire, het nieuwe en groote privilegie van onschendbaarheid in oorlogstijd toe te kennen.

In 1867 werd op de Conferentie te Parijs voorgesteld, die onschendbaarheid te verleenen. In 1868 te Genève werd zij echter met voordacht uit het Verdrag gelaten, omdat men vreesde dat het aan elk drager van het Roode-kruisteeken verleenen van de onschendbaarheidsrechten, tot misbruik zou leiden.

De officieele, door de respectieve regeeringen erkende comités van het Roode Kruis hebben in de volgende oorlogen echter zulke uitnemende diensten bewezen, dat de legeraanvoerders, den geest voor de letter der conventie aannemend, zelf de onschendbaarheid uitbreidden tot die door de regeeringen erkende comités van het Roode Kruis.

Onder zekere beperking werd zij dan ook in den DuitschFranschen oorlog meesttijds toegekend.

En het zou ook wel vreemd zijn dat zij die den stoot hebben gegeven om de gewonden niet van voldoende hulp verstoken te doen blijven, een voorrecht zouden derven, dat voor het verleenen van die hulp onmisbaar is, nu zij zich met alle waarborgen hebben omkleed die de regeeringen en legeraanvoerders mochten verlangen Bij deze herziening der conventie in 1906 is dan ook in dien zin de bepaling gemaakt.

Intusschen waren er, vooral in tijden van oorlog, met prijzenswaardig doel, doch niet vrij van onbezonnenheid, tal van andere vrijwillige hulpvereenigingen ontstaan Hadden deze zich gesteld onder het centraal gezag van het internationale comité, zich dus aan zijn in 1863 genomen resoluties onderworpen, die niet veeleischend zijn, dan ware haar edelmoedig streven meer ten goede gekomen aan het doel, dat door allen werd beoogd. Gedeeltelijk uit onbekendheid, anderdeels uit de begeerte om zelfstandig te kunnen optreden, waar en hoe men het zelf wilde, werd de officieele aansluiting aan het internationaal comité van het Roode Kruis en dus ook de erkenning door de Regeeringen achterwege gelaten, en nam men eigenmachtig aan het Roode Kruisteeken, dat door dit comité als herkenningsteeken was aangenomen voor hen, die er toe behoorden. Dat Roode Kruis werd allengs door ieder gedragen, die de geringste hulp had verleend aan zieken of gewonden. Schromelijke misbruiken waren daarvan het gevolg. Van den anderen kant teleurstelling en ergernis bij ambulance-personeel, dat niet van regeeringswege erkend, bij gemis van legitimatiebewijzen, welke door het centraal comité uitgegeven een Regeeringsstempel dragen, niet deelachtig werd het voorrecht van onschendbaarheid.

Het personeel der Fransche ambulance van de Pers, bestaande uit 15 geneesheeren, 90 oppassers en 16 paarden

Sluiten