Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als voorzorgsmaatregel van rust, en om te beletten dat de burgerbevolking vijandelijkheden tegen de bezettingstroepen zou plegen, werden door den Duitschen commandant van het detachement, dat belast was St.-Quentin te bezetten, den 4d«n Dec. 1870, twee leden van den gemeenteraad als gijzelaars geëischt en verkregen •).

Tot gijzelaars worden bij voorkeur notabelen of personen genomen, die de meeste achting bij de bevolking genieten, om door hun invloed eenigen waarborg te verkrijgen, en dus niet noodig te hebben tot de strengste maatregelen over te gaan Vrouwen, kinderen of grijsaards, neemt men nimmer in oorlogsgijzeling.

Een belofte, door aangeboden gijzelaars bekrachtigd, moet zoo spoedig mogelijk worden nagekomen.

Gijzelaars moeten evenals krijgsgevangenen worden behandeld. Onder geen voorwendsel mag hun het leven worden benomen. Zij moeten uit de gijzeling ontslagen en in vrijheid gesteld worden, zoodra de voorwaarde die hen in gijzeling deed komen, is vervuld. 2)

Ook de behandeling van gijzelaars is volgens het modern rechtbegrip menschelijker dan vroeger. Napoleon schreef nog in zijne Mémoires (VIII): „De gijzelaars zijn een der krachtigste middelen om de bezette provinciën in bedwang te houden; maar daartoe moeten zij talrijk en uit de invloedrijksten gekozen worden. De bevolking moet bovendien overtuigd zijn, dat de dood der gijzelaars onverwijld het gevolg is van het schenden harer belofte."

17. Notabelen op locomotieven en als telegraafwacliters. Het is in strijd met het modern oorlogsrecht, de notabele burgers, met hun leven en goederen, voor de veiligheid van spoorwegen en telegrafen verantwoordelijk te stellen.

In den oorlog van 1870—71 zijn door de Duitschers notabele burgers genoodzaakt om de militaire transporten per spoortrein, op de locomotieven, te vergezellen. Het geschiedde te Weissemburg, Rheims en op andere plaatsen. De proclamatie te Weissemburg, den 21sten Oct. 1870, aangeplakt, hield in, dat deze maatregel „een gevolg was van de herhaalde vernieling van

1) Rolin-Jaequemyns, Second essai, p. 16.

2) Idem, p. 16.

Sluiten