Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE HOOFDSTUK.

IIET OORLOGSRECHT VAN EN TEGENOVER DL INLANDSCHE VOLKEN IN NED.-INDlE IN ACHT TE NEMEN. ')

1. Algemeen. De Mahomedaansche volken gedragen zich. met elkander of wanneer zij tegen ons in oorlog zijn, naar de voorschriften van het Mahomedaansch recht, meesttijds plaatselijk gewijzigd door de inzettingen van den adat of het aloude bij overlevering daar bestaande gewoonterecht. Hoe dieper de' Islam in het volksleven is doorgedrongen hoe minder de adat het beschreven Mohamedaansch oorlogsrecht heeft verdrongen. De voorname bron voor dat recht dezer volken is dus het Moslimsche recht, dat hun positief recht vormt.

De heidenen of niet Mahomedanen hebben geen beschreven, positief recht. Zij voeren krijg alleen volgens hun adat.

De adat goed te kennen van alle volken, waarmede men in Indië te doen kan krijgen, is voor den officier of ambtenaar, die dikwerf geroepen wordt om aldaar zelfstandig op te treden, van het grootste gewicht. Onbekendheid er mede en daardoor een

1) Bij het bewerken van dit gedeelte zijn voor een groot gedeelte gevolgd de „Aanteekeningen over dit onderwerp in 1904 (niet in den handel) uitgegeven bij de Koninklijke Militaire Academie, en is party getrokken van de lezing den 27" Februari WOo door Majoor IS } pels, gehouden in de Vereeniging tot beoefening der Krijgswetenschap.

Sluiten