Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<•

liefst door het inleveren der wapenen staat op den voorgrond. Gewapende mannen zijn in den gewonen zin vijand. Die zich niet overgeeft wordt dus neergelegd. Ongewapenden spare men, doch houde hen in het oog, omdat zij verborgen gehouden wapenen weder kunnen opvatten. Tegen hen en tegen de vrouwen en kinderen, die dikwerf aan de hunnen spiondiensten bewijzen, neme men, zoo mogelijk, gepaste voorzorgsmaatregelen.

Niet zelden, en nog onlangs, in 1904, bij den tocht van Luitenant-Kolonel 'N an Daaien in de Gajo- en Alaslanden, komt het voor dat men vrouwen en kinderen van vijandelijke kampongs mede gewapend tegenover zich ziet. Bij het uiterst fanatiek gevecht om de laatste en duchtig versterkte kampong in de Alaslanden op 24 Juni 1904, streed de bevolking familiesgewijze ').

Zoo het eenigszins mogelijk is, sommeere en waarschuwe men deze zich te verwijderen of niet aan den strijd deel te nemen. Blijkt het duidelijk te vergeefs te zijn, geven de vrouwen aan herhaalde vermaningen geen gehoor, dan blijft niets anders over dan de treurige noodzakelijkheid om de gewapende vrouw te beschouwen, zooals zij dan in waarheid is, als een gewapende vijand, dien het plicht is met alle rechtmatige oorlogsmiddelen, welke ten dienste staan, onschadelijk te maken. Geven zij echter het geringste teeken den strijd werkelijk te willen staken, dan trede men dadelijk tegen haar met groote lankmoedigheid op, eerbied hebbende voor haar daad, voortspruitende uit eigenschappen, welk in het rampzalige van een volksoorlog zijn oorsprong vinden. Nadat na de bestorming op 22 Maart 1904 van de Kampong Doeren in de Gajoe-landen, — welke door eene menigte mannen en vrouwen fanatiek verdedigd werd — de hevige strijd in het binnenterrein werd voortgezet, liet de Overste Van Da al en, de colonne-commandant, zelfs het gevecht afbreken en den troep een eind teruggaan, om aan een groote hoop vrouwen en kinderen, die zich nog in en tusschen de huizen bevon-

1) Memorie van antwoord. Begrooting voor Ned.-Indië voor 1905; gedr. stukken bl. 39.

Sluiten