Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij Art. 2 wordt het geheim en de goede overbrenging der correspondentie gewaarborgd. Krachtens de Artt. 7 en 8 kan een Staat — en dus ook een neutrale — het telegraphisch verkeer over zijn gebied schorsen. Indien een Staat zelf in oorlog is kan en zal hij dat vermoedelijk doen, althans dat verkeer niet onbeperkt toelaten, als hij het noodig oordeelt (Art. 6), of ook indien een telegramme privé door hem gevaarlijk wordt geacht voor de veiligheid van den Staat (Art. 7).

Groot-Britannië heeft in den Boerenoorlog van die bevoegdheid ruimschoots gebruik gemaakt, maar, ofschoon een neutrale Staat ontegenzeggelijk aan die artikelen c. q. gelijke bevoegdheid zou kunnen ontleenen, is door zoodanigen Staat nimmer eenige correspondentie tusschen oorlogspartijen bemoeilijkt geworden, evenmin als de gewone briefwisseling. De meest vrijzinnige opvatting is regel geworden. Daarvoor bestaat eene practische reden. In het wezen der zaak zou een verbod of eene schorsing van het vrije telegraafverkeer door een neutralen Staat niets uitrichten en slechts blijken een vorm te zijn, tenzij alle neutrale Staten hetzelfde deden en tevens het geheele telegraphisch verkeer tusschen alle privaatpersonen met die der oorlogvoerende landen deden schorsen, hetgeen ondenkbaar is, want, logisch zou dan ook het brievenvervoer en zelfs het personen-verkeer met die landen moeten worden geschorst. Ook het verbod van geheimschrift te gebruiken zou niet baten, omdat in overeengekomen taal door tusschenpersonen kan worden geseind, zoodat bijv. „Jan is ziek" beteekent „Port-Arthur is gevallen.''

Nog zij opgemerkt dat alleen door het opperbestuur deiRij kstelegrafen van den onzijdigen Staat en niet door ondergeschikte ambtenaren beslist kan worden of het geval zich voordoet dat een telegram wegens gevaar voor den Staat kan worden opgehouden, of dat de algemeene schorsing volgens Art. 8 der Petersburgsche Conventie moet worden toegepast.

Het onderscheid tusschen Art. 3 en Art. 8 bestaat daarin, dat het eerstgemelde slaat op het inrichten op neutraal gebied van telegraaftoestellen op stations door oorlogvoerenden, of het gebruik er van door dezen, als zij het te voren tot oorlogsgebruik daar zouden hebben ingericht, terwijl Art. 8 slechts betrekking heeft op den gewonen publieken dienst op onzijdig gebied, uitgeoefend niet door oorlogspartijen. De Britsche Delegatie ter Tweede Vredesconferentie stond er echter op, dat er op werde gewezen, dat de vrijheid van een onzijdigen Staat tot het overbrengen van depêches door eenig telegraphisch middel, niet in zich sluit de vrijheid om dat te doen of te laten doen tot het verleenen van eene blijkbare hulp aan een der oorlogvoerenden.

Sluiten