Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 9.

Alle beperkende of verbodsmaatregelen, welke door den onzijdigen Staat ten opziohte van onderwerpen, beoogd bij de art-ikelen 7 en 8, genomen worden, moeten door hem gelijkelijk op de oorlogvoerenden worden toegepast.

De onzijdige Staat zal er voor waken dat deze verplichting evenzeer worde nagekomen door maatschappijen of particulieren, welko telegraphische of t9lephonische kabels of toestellen voor draadlooze telegraphie bezitten.

Het bepaalde bij de artikelen 7 en 8 doet geen afbreuk aan liet onbeperkte recht dat de neutrale Staat, krachtens zijne Souvereiniteit, bezit om op zijn gebied alle beperkende bepalingen te maken, welke hij mocht goedvinden en zelfs den uitvoer van sommige zaken of het gebruik van telegraaf, telephoon en draadlooze telegrafen volstrekt te verbieden, zoodra hij dat mocht noodig achten. Wat hij doet, moet echter op beide oorlogspartijen met strikte onpartijdigheid gelijkelijk worden toegepast.

Art. 10.

De onzijdige Staat, die krijgsgevangenen ontvangt, zal dezen in vrijheid latan. Indien hij hun verblijf op zijn gebied duldt, kan hij hun eene verblijfplaats aanwijzen.

Dezelfde bepaling is toepasselijk op krijgsgevangenen, medegebracht door troepen, die op het grondgebied van den onzijdigen Staat toevlucht hebben gevonden.

Onder krijgsgevangenen worden hier niet verstaan de individuen, welke zich aan een covimun delict hebben schuldig gemaakt en dus vallen onder de strafwet of volgens tractaat moeten worden uitgeleverd.

Overigens is de bepaling van toepassing zoowel op krijgsgevangenen, die ontsnapt zijn van het territoor van den oorlogvoerende, welke hen gevangen hield, als van dat van diens vijand, hetwelk door hem was bezet.

Hoewel de onzijdige Staat deze vluchtelingen in den regel zal toelaten, heeft hij het recht om hen af te wijzen of hen, indien hij ze heeft toegelaten, later, bijaldien hij dit noodig mocht vinden, het langer verblijf in zijn gebied te ontzeggen.

Het afwijzen van deze vreemdelingen kan in Nederland geschieden met inachtneming van het bepaalde bij de wet van 13 Aug. 1849 (Stbl. No. 39).

Het aanwijzen van eene verblijfplaats zal bij uitzondering

Sluiten