Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 7.

Een onzijdige Staat is niet gehouden den uit- of doorvoer voor rekening van den eenen of den anderen oorlogvoerenden te beletten, van wapens, munitie en, in het algemeen, van al wat ten nutte kan strekken voor een leger of vloot.

Is gelijkluidend met Art. 7 van het Reglement omtrent de rechten en plichten te land van onzijdige Staten.

Bij de behandeling van dat reglement is op liet groot gewicht voor Nederland dat deze bepaling conventioneel tot stand is gekomen, gewezen.

Den onzijdigen Staat staat het natuurlijk vrij om, indien hij zulks noodig mocht vinden, den uitvoer van sommige of van alle handelsartikelen te verbieden.

Art. 8.

Eene onzijdige Regeering is gehouden alle middelen, waarover zij kan beschikken, aan te wenden om in hare jurisdictie de uitrusting of de bewapening te beletten van elk schip, dat zij op redelijken grond gelooft bestemd te zijn om te kruisen of om mede te werken aan vijandige operatiën tegen eene Mogendheid, met welke zij in vrede is, en ook gelijk toezicht uit te oefenen om het vertrek uit hare jurisdictie te beletten van elk schip, bestemd tot kruisen of om mede te werken aan vijandige operatiën, wanneer dat schip in die jurisdictie geheel of ten deele geschikt gemaakt is tot oorlogsgebruik.

In hoofdzaak overeenkomende met den eersten regel van Washington. De uitdrukking: verschuldigde waakzaamheid (due diligence), welke daar gebezigd werd, is echter vervangen door „alle middelen waarover zij kan beschikken" en door gelijk toezicht uit te oefenen, omdat de onbestemdheid van eerstgemelde in de practijk aanleiding gegeven heeft tot groot verschil van gevoelen.

De Eerste Gedelegeerde van Brazilië, Ruy Barbosa, had voorgesteld om onder de hierbedoelde schepen niet te begrijpen oorlogsschepen, welke op de werven van onzijdige landen in aanbouw zijn en reeds besteld waren vóór het begin der vijandelijkheden en zelfs vóór dat een oorlog kon worden voorzien. Dat voorstel, bestreden door den heer Drago, afgevaardigde van Argentinië, is verworpen. Merkwaardig is de rede door den uitnemenden Braziliaanschen Staatsman en geleerde, in de zitting van 4 October, uitgesproken tot verdediging van zijn voorstel.

Sluiten