Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII. CONVENTIE BETREFFENDE DE INSTELLING VAN EEN INTERNATIONAAL PRIJZENHOF.

Een van het gewichtigste, wellicht het meest gewichtige van hetgeen door de Tweede Vredesconferentie tot stand is gebracht, is de instelling van dit Hof. Vooral voor de neutrale Staten kan het een weldaad zijn.

De Oorlogvoerenden hadden zich tot dusverre het recht toegeëigend, om door hun eigen rechtbanken te laten richten over de door hunne zeemacht gemaakte prijzen. Niet alleen — zooals reeds in mijn Internationaal maritiem recht van 1888, bl. 606, geschreven is, bij het betoog voor de wenschelijkheid van internationale prijsgerichten „dat de neutralen, als de rechtspraak uitsluitend aan de oorlogspartijen verblijft, blootstaan aan een eenzijdig, zoo niet soms willekeurig oordeel," maar de beginselen, waarnaar recht gesproken wordt, worden op den duur gevormd uitsluitend door dezen en vooral met het oog op de behingen hunner krijgvoering.

In eene bijeenkomst van enkele leden van het Institut de droit international in 1881, te Wiesbaden gehouden, welke ook door mij werd bijgewoond, werd besloten in een door dat Instituut te vervaardigen Projet de reglement international de prises maritimes (rapporteur Prof. B u 1 m e ri n cq) op te nemen, dat de prijsgerichten van eersten aanleg zouden blijven geregeld door de wetgeving van iederen Staat, en dat de Instructie eener prijszaak voor die rechtbank der oorlogvoerenden, dus door zijn eigen rechters plaats zou hebben, maar dat er beroep zou zijn op een tribunal d'appèl international, samengesteld uit een V oorzitter en een lid gekozen door den Oorlogspartij-nemer, en uit drie leden, aangewezen door de neutrale Staten.

Opmerkelijk is en ervoor getuigende hoezeer de uitgestrooide zaden van recht en billijkheid wortel schieten en op den duur — al moet er ook soms geruime tijd overheen gaan — rijke vruchten dragen, dat de bekende Duitsche autoriteit in maritiem recht Per els, die tevens eene hooge

Sluiten