Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wicht, vooral omdat dit Hof beginselen zal vaststellen, waarnaar het rechtspreken zal. (Art. 7.)

De Conventie vangt aan met te verklaren, dat de Souvereinen (van de 44 vertegenwoordigd geweest zijnde Staten), bezield met de begeerte om op eene billijke wijze de geschillen te regelen, welke soms in een zee-oorlog ontstaan, ten gevolge van de uitspraken der nationale prijsgerichten;

van meening zijnde dat, indien die rechtbanken ook behooren voort te gaan met te vonnissen volgens de vormen door hare wetgevingen voorgeschreven, het van belang is dat, in bepaalde gevallen, een beroep moet kunnen plaats hebben onder voorwaarden, welke in de mate der mogelijkheid, de openbare en de private belangen, welke in elk geval van prijsmaking betrokken zijn, bevredigen ;

overwegende dat, van den anderen kant, de instelling van een Internationaal Hof, waarvan de bevoegdheid en de rechtspleging zorgvuldig zouden zijn geregeld, het beste middel schijnt om dat doel te bereiken;

doordrongen, eindelijk, dat op die wijze de gestrenge gevolgen van een zee-oorlog zouden kunnen worden gematigd; dat, met name de goede verhoudingen tusschen de oorlogvoerenden en de onzijdigen meer kans zullen hebben van te worden behouden en dat zoodoende het behoud van den vrede beter zal worden verzekerd;

weuschende tot dat doel eene Conventie te sluiten, hebben enz.

en zijn overeengekomen het volgende:

Titel I. Algemeene bepalingen.

Art. 1.

De geldigheid van het prijsmaken van een koopvaardijschip of van zijne lading wordt, het moge de eigendommen van onzijdigen of vijandelijken gelden, uitgemaakt door eene rechtspraak over prijzen, overeenkomstig deze Conventie.

Sluiten