Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontbinden, en die door verblinde kiezers op hunnen zetel behouden, zonder ontzag voor de Grondwet, het gebruik van het Koninklijk prerogatief ook dan nog hardnekkig durven betwisten.

En daarom moet nu ten minste het oogenblik niet verzuimd worden. „De Natie, zeide de Heer Wintgens eens te regt, moet zich laten gelegen liggen aan de publieke zaak, want dat is hare zaak.1)"

UTRECHT, 4 Mei 1869.

NEDERLAND NIET ARM AAN CANDIDATEN. Geen vergelyk, maar opregtheid by de verkiezingen.

Ieder onzer heeft regelregt, in meerdere of mindere mate, belang bij het wel of kwalijk varen van den Staat, en is verpligt, naar vermogen zorg te dragen, dat niet door zijne schuld en nalatigheid, in de eerste plaats door de onnadenkende ligtgeloovigheid of door de vadsige onverschilligheid der kiezers, het algemeen welzijn verachtere. — Dit besef drong mij dezer dagen, openlijk en onverholen bij het bespreken der Candidaturen tot de Staten-Generaal, mijne meening te uiten, en daar de ons nog geschonken vier weken nuttig moeten besteed worden, niet in een onvruchtbaren redetwist over beginselen den tijd te verbeuzelen, maar op den man af de parlementaire antecedenten van deze of gene uitvallende Volksvertegenwoordigers te beoordeelen en ons, zoo mogelijk, voor verdere schade te hoeden. — Geheel uit eigen aandrift en door niemand gemagtigd, ga ik thans voort met het betoog, dat de kring der verkiesarbeid tot de Tweede Kamer, door de partijzucht niet zoo naauw mag beperkt worden.— De pligt der kiezers is nog heden geen andere, dan die in 1796 toen de Nationale Vergadering moest gevormd worden, in

') Eedevoeringen en adviezen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal (1849—1861).

Sluiten