Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bres sprong, en dat de Minister het debat niet versmaadde. — Zal het misschien goede trouw mogen heeten, de in 1866 herdrukte algemeen verkrijgbaar gestelde uittreksels uit de Bedevoeringen van Onzen Vertegenwoordiger te ignoreren¥

UTRECHT, 10 Junij 1871.

EEN LAATSTE WOORD VOOR DE HERKIEZING VAN Mr. N. P. J. KIEN.

De steller van dit artikel, dat gister in dit blad de verkiezing van den heer Boer aanprees, heeft aanspraak op mijn dank voor de eerlijke en heusche erkenning der politische en administrative loopbaan van het aftredend Lid der Sta ten-Gene raai. „Den heer Kien, schrijft hij, acht ieder als een man van groote verdiensten." Dit punt staat derhalve onbetwist vast, en nu nog 24 uren nadenkens den zelfstandigen kiezers verleend worden, zal ik bij al het voorgaande nog dit voegen, dat in het geopperd bezwaar der afwezigheid van den Burgemeester, tevens Lid der Vertegenwoordiging, bij de Gemeentewet in art. 77 en 78 duidelijk voorzien is, daar de wethouder die buiten het geval van ongesteldheid van den Burgemeester, met de waarneming gedurende meer dan een maand onafgebroken belast is geweest, voor dien tijd immers aanspraak heeft op de aan de betrekking verbonden jaarwedde. Wat is het stelsel van bestuur in de steden meteen Burgemeester en twee, drie of vier wethouders aan het hoofd, anders dan eene bestendiging van het voormalige, in Nederland inheemsch? van hetzelfde getal van regerende Burgemeesters, van welke een deel regelmatig ter dagvaart, ter provinciale of nationale Vertegenwoordiging werd afgevaardigd. Toen in 1851 de Gemeentewet werd tot stand gebragt, kon elk zich hier en elders volmaakt herinneren hoe de Burgemeester van Utrecht, de diepzinnige jurist van Asch van Wijck, Lid der Commissie van wetgeving, jaren lang niet slechts te 's Hage maar te Brussel, de Staten-Generaal had bijgewoond; de Burgemeester van Dordrecht en van Gorinchem, om geene andere te noemen, Lotsy en

Sluiten