Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den Minister van Marine (in dato 15 Januarij), die nog altijd eon voor de Kust van Guinea bestemde Officier van Gezondheid verlangt! dezelfde Minister trouwens, die nog kort geleden, op diezelfde Kust, de Nederlandsche vlag door een wapenfeit had doen handhaven. En hoe moet dan, bij zulke inconsequentie en tegenover de bepalingen van het nog zoo versch Tractaat met Engeland, van 5 Maart 1867, (St.bl. n°. 61 en 88) ter regeling van de scheiding der wederzijdsche Bezittingen aan die Kust, en ter invoering aldaar van een gelijkvormig tarief van regten, de openbare meening gestemd zijn? Hoe moet zij in dagen, waarin niet enkel zwarten, maar millioenen blanken als koopwaar plegen verhandeld te worden, over een zoo gevaarlijk en niet slechts onedel, maar schreeuwend wederregtelijk en menschonteerend feit, in vollen vrede en zonder noodzaak volbragt, in gemoede oordeelen ? Is afstand van grondgebied en meer nog, van eene getrouwe bevolking, in tijd van oorlog en gedwongen, bij verdrag of capitulatie afgeperst, reeds een droevige en harde zaak, maar ten minste niet hatelijk en verachtelijk aan de zijde van hen, die alles vruchteloos hadden opgezet, goed en bloed, om dat uiterste af te wenden, — welk vonnis zal men strijken over Staatslieden, die niet langs den koninklijk-parlementairen weg bij de Tweede Kamer, met het regt van enquête toegerust, de publieke zaak publiek behandelen, maar het magtigst deel der Volksvertegenwoordiging voorbijgaande, en slechts voor het uiterlijk de voorschriften van Art. 57 der Grondwet indachtig, het beginsel van gemeen overleg in waarheid met den voet treden, en in deze duistere „nevelachtige" zaak, een grondig en volledig onderzoek met versmading der bede van de Elminesche bevolking, ontwijken en verijdelen?

Hiermede is voor het minst bij het hervatten der werkzaamheden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, een zware politische verantwoordelijkheid gemoeid. Het precedent van den Lord-Kanselier Clarendon wegens zijn aandeel aan den eerloozen verkoop van Duinkerken door Karei II aan Lodewijk XIV in 1662, herinnert bovendien eene nadrukkelijke toepassing der strafregterlijke verantwoordelijkheid, tegen welke de bewering dat

Sluiten