Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEÊRLANDSCH BUITENLANDSCHE BETREKKINGEN.

De toon der ministeriële bladen, over mijne bedenkingen tegen eene zinsnede uit 's Konings Aanspraak tot de Staten-Generaal gebelgd, duldt niet dat ik het stilzwijgen beware. De een verwijt mij partijschap, die allerlei „nietigheden" opzoekt en als ernstige zaken voorstelt;') de ander kan in het uiten van mijne gissingen, het beleid van den Staatsman niet ontdekken2). Ook heb ik mij tot hiertoe met de eerlijke rondborstigheid van den burgerman vergenoegd, die als de Regering tot de Natie spreekt, vooral in Troonreden zoo gaarne de oud-Hollandsche opregtheid terugvindt en toejuicht. De bedoelde zinsnede nu kwam mij voor, al zeer schraal en dubbelzinnig te zijn, en sedert ik den Minister Gericke na de opheffing der pauselijke missie en trots den afstand der Kust van Guinea, met de portefeuille van Buitenlandsche Zaken belast, in dit Kabinet heb zien blijven, ben ik min of meer achterdochtig, en zou ik bij de gemeenschap van dien Staatsman met het Parlement, wat meer openheid verlangen. Ik heb uit Hooft geleerd, dat het mistrouwen het hechtste bolwerk is van de nationale vrijheid. En wat die zoogenaamde nietigheden betreft, de verwisseling van Gezanten in Chargés d'Affaires te 'sHage, is waarlijk geene kleinigheid. Dat weet men al uit de tijden van den Eersten Napoleon, die op zijn ongelukkigen broeder Lodewijk ten hoogste verbolgen, hem den 23. Mei 1810 schreef: „J'ai rappelé mon ambassadeur, je n'aurai plus en Hollande qu'un Chargé d'Affaires." (Docum. Histor. sur le Gouvernement de la Hollande III. 267). Het scheen mij derhalve toe, dat al zij het Goddank, niet tot dat uiterste gekomen, toch te Berlijn en te Weenen op een of ander punt, misnoegen tegen de Nederlandsche Regering bestaat, welke verkoeling men haar op echt diplomatische wijze te kennen heeft willen geven. — Zoover den Graaf de Perponcher betreft, — het verblijf van dien Gezant

') N. Rotten!. Ct. 2 October 1872. '') Arnhemxche Ct., 2 October 1872.

Sluiten