Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijziging en waarschuwing nogthans na den uitgebarsten opstand op Java, den 30 Augustus 1827 tusschentijds daaraan toegevoegd: „Aan de Indische Regering wordt (zoo luidde Art. 25 van het laatst aangehaald Staatsstuk) met den meesten nadruk aanbevolen om, zooveel mogelijk alles te vermijden en voor te komen wat eenige aanleiding tot eenen oorlog geven kan, en tot stelsel aan te nemen van nimmer den oorlog tegen eenig Indisch Vorst of Volk te voeren dan wanneer het Nederlandsch gezag en grondgebied in deze gewesten vijandelijk wordt aangevallen, of dat daartoe toebereidselen worden gemaakt, wanneer alle middelen tot bevrediging vruchteloos beproefd zijn en zulks alzoo uit noodweer en tot verdediging van het Nederlandsch Gezag en van verkregen regten geschieden moet. In dit geval zal nog van al het gebeurde een omstandig verslag worden opgemaakt, en aan het Ministerie van Marine en Koloniën opgezonden en zullen daarbij tevens duidelijk de gronden worden ontwikkeld waarop tot het voeren van den oorlog besloten is, ten einde er, na gedaan onderzoek, aan de Begering zoodanige aanschrijvingen of bevelen, vanwege den Koning, kunnen worden uitgevaardigd, als waartoe de handelingen van het Bestuur te dier zake aanleiding mogten hebben gegeven" x).

Zoolang de eerlijkheid der Nederlandsche Natie van de inblazingen, die haar tot een roofstaat zouden willen verlagen, een afkeer heeft, zoolang zal de Minister van Koloniën in den geest van zijn eerbiedwaardigen voorganger Elout handelende, verpligt zijn en wel ten spoedigste aan de beschaafde wereld den regtsgrond tot het verklaren van oorlog aan Atsjien de ontwijfelbare noodweer die er bestond te doen kennen of het ontslag van den Landvoogd aan te vragen, die elk oogenblik door telegrammen van de zienswijze van het Haagsche Kabinet onderrigt, daartegen ongeloofelijk mogt hebben misdreven.

UTRECHT, 7 April 1873.

') Mijer, verzameling bl. 488.

Sluiten