Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verslonden zijn, en vrij wat meer offers nog zullen eischen, weet niemand u op redelijke gronden de overtuiging te schenken, dat de dapperen, die men beweent, voor ecne heilige zaak zijn gevallen. Wanneer er in de Tweede Kamer rede zal zijn van de verantwoordelijkheid der in deze betrokken Staatslieden, zal zij de aangeklaagde feiten moeten toetsen „aan het regt, de billijkheid, de zedelijkheid en het Staatsbelang", ') achterdeuren genoeg, om bij voorkomende gelegenheid, de straf te ontgaan.

Doch terwijl men dan nu in het Binnenhof zulke fraaije wetten pleegt te maken, die voor de Natie, voor de slagtoffers van ministeriële willekeur of roekeloosheid niet den minsten waarborg opleveren, zal het althans vrijstaan, uit de werkplaats van het Departement van Koloniën hoe eer zoo liever een bondige Memorie te eischen, in welke hetzij dan het regt of de billijkheid, de zedelijkheid of het Staatsbelang worden ontwikkeld, als den oorlog tegen Atsjien dringend gevorderd hebbende, hetzij dan ieder opzichzelf, of wel alle gezamenlyk.

Met zulk betoog gewapend, kan het Bewind de zaak welligt min of meer nog verhelpen, en een beroep doen op de zamenwerking der Natie; maar kan dit betoog niet geleverd worden, zoo schijnt het onvergeeflijke dwaasheid den krjjg door te zetten en in het plan om Atsjien door geweld tot dusgenaamde beschaving en Europeesche verlichting te dwingen, met ongelijke krachten, vermetel te volharden. Dan liever naar de Nederlandsche spreuk, ten halve gekeerd-, want het is onwaar en lijnrecht in strijd met de echte beginselen van het Volkenrecht door Hugo de Groot verkondigd, dat de eigenwaan van onze hoogere beschaving het regt zou geven tot verovering en onderwerping van woeste en wilde Landen en Volken, — eene leer weleer door de Spanjaarden in Mexico en Peru zoo wreed in praktijk gebragt. — De zedelijke verantwoordelijkheid moge in de eerste plaats op de daders of raders van den oorlog tegen Atsjien kleven, zij drukt gedeeltelijk ieder onzer, naarmate men laat begaan, lijdelijk en onverschillig aanschouwt of zelfs door par-

') Art. 18 der Wet van 22 April 1855 (St.bl. n". 38).

Sluiten