Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogen zoggen, hoe de oorlog op Sumatra pleegt gevoerd te worden. „\\ anneer ik bedenk, ') en wie zou die regelen van den schranderen Generaal Nahuijs niet met overtuiging herhalen?

wanneer ik bedenk, dat alle onze overwinningen moeten gekocht worden met het bloed, niet alleen van schuldigen en inlanders, welke de wapenen tegen ons hebben opgevat, maar ook van vele onschuldigen, vrouwen, kinderen en weerlooze grijsaards,

dan verlang ik niet naar die met moord bevlekte lauwers.

Ln dit is, helaas! toch bijna altoos het geval waar de onzen eeno vijandelijke dessa overmeesteren. Jong en oud, weerbaar en onweerbaar, vindt bij do woede onzer soldaten geen de minste genade, maar wordt meedoogenloos over den kling gejaagd; en het is onzen weidenkenden officieren nog maar zeer zelden mogen gelukken, deze euveldaden tegen te gaan, hetgeen ook dikwijls in waarheid moeijelijk en onvoorzigtig is, dewijl de zucht tot wraak, meer nog dan het edel besef van eer en pligt, de onzen, waaronder vele verbitterde Maleische ingezetenen zijn, ten strijd voert". En zijn niet ook onder onze krijgslieden nu en dan, eene soort van Turco's, de Alfoeren? Hoe groot de ingenomenheid zij met de handhaving van ons prestige in N.-Indië, zullen wij toch niet begeeren het met zulke middelen te versterken. — Onze Vertegenwoordigers, koelzinnige beschouwers op een onzijdig terrein, waar niet die felle en heete hartstogten blaken, zouden de verzachtende omstandigheden voor de misgrepen der Landvoogden in Indië niet kunnen inroepen. —

Steunde de oorlogsverklaring aan Atsjien niet op deugdelijke regtsgronden, hoe zouden zij in hun oordeel vrij en gaaf op dien afstand, nieuw en grooter onregt om redenen van dusgenaamd en dan nog kwalijk begrepen staatsbelang, mogen en durven plegen? Was de oorlog voor den 26on Maart niet geregtvaardigd, hij is het mot geworden door het bombardement gedurende elf dagen vóór de landing, een maatregel, die zoo wreed als weinig doeltreffend, alle toenadering van zelf uitsloot en de bevolking van Atsjien immers geheel en onverzoenlijk verbitterde of tot wanhoop dreef.

') Brieven ocer Bencoolen, Padang, het Rijk van Menang-Kabau, Rhiouw, Sincapoera en Poeloe-Pinany, Breda 1826 bl. 195,

Sluiten