Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kenen dan een ijdel protest, ook de Leden van den Gemeenteraad loopen wel eens gevaar uit het oog te verliezen, dat er niet meer, gelijk vóór en na 1795, in deze en gene Gewesten van ons V aderland, eene gezworene Gemeente bestaat om de ingezetenen tegen noodelooze verspilling of tegen al te grootsche en stoute ondernemingen, al zijn die met de beste bedoelingen beraamd, bij tijds te behoeden. Groot is daarom de zedelijke verantwoordelijkheid der kiezers.

UTRECHT, 12 Julij 1873.

HET XIIIe NEDERLANDSCH CONGRES. Het Snellaert-Fonds.

Er is dezer dagen hier te lande nog al melding gemaakt van een scherpen uitval in den Echo du Parlement tegen de aanstaande zamenkomst te Antwerpen van de Noord- en Zuid-Nederlandsche Letterkundigen, alsof die bijna jaarlijksche verbroedering meer en meer het streven openbaarde om België op den achtergrond te plaatsen en nagenoeg weg te cijferen.

Tot die grieven behoorde bepaaldelijk ook het ontwerp tot stichting eener beurs ter nagedachtenis van Dr. F. A. Snellaert, om daaruit de kosten van het verblijf van een ZuidNederlander aan een Aoorrf-Nederlandsche Hoogeschool, gedurende korter of langer tijd te bestrijden. Daar ik op dit punt de klagt van eenzijdigheid, door het Brusselslsch Dagblad geuit, persoonlijk deel en mijn oorspronkelijk voorstel op het Congres te Middelburg dan ook wederkeerig de strekking had om aan de Noord-Nederlanders de middelen te verschaffen aan Belgische Hoogescholen korter of langer tijd te vertoeven, overtuigd gelijk ik met Jan Frans Willems te allen tijde geweest ben, „dat de Brabanders van de Hollanders en deze van de Hollanders veel kunnen leeren , en dat de Hollander „geen volslagen toongever"

Sluiten