Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van het Onderwijs benoemd, die Staatsambten gewis nooit zouden hebben verworven, zoolang zij enkel Predikanten waren, maar ik meen het te mogen betreuren, dat voor hen, gelijk voor zoovelen en al moer en meer, do Tweede Kamer eone sport of ladder tot hooger uiterlijk aanzien is geworden. En zonder onregt meen ik te mogen stellen, dat met de voormalige betrekking van Lecraar van eenige godsdienstige gezindheid niet zóó onherroepelijk en in allen deele kan worden gebroken, of eenige werking, invloed of terugslag op den nieuwen werkkring blijft nu en dan, vooral bij punten de School of Kerk regtst reeks of middelijk betreffende, merkbaar en onloochenbaar. Het zoude er voor het overige met het hedendaagsch Europa jammerlijk uitzien, wanneer de Hervorming naar waarheid stelde, dat „de verschillende richtingen in het godsdienstige den Staatsman met ijzeren klem in hare woelingen medetrekken." — De Regent of Minister, godvruchtig in den zin van den Kanselier Leoninus, ontbreekt voorzeker ook in onze dagen niet, die met een verlicht en opgeklaard brein, de bekwaamste medeburgers, elk op zijne plaats, tot bevordering van het algemeen welzijn, behoort te vereenigen en te doen zamenwerken; die boven alle woelingen verheven, hetzij dan op politisch of op kerkelijk gebied, en de zaken, die het menschelijk begrip te boven gaan, aan het oordeel Gods overlatende, de edelste gaven en het vernuft van alle verdienstelijke Landgenooten, mits slechts met liefde en toewijding aan den erfelijken geboortegrond vervuld, dienst- en vruchtbaar weet te maken aan het behoud van een eendragtig Nederland — geen Dr. Pierson of Moleschott, geen Dr. van Vloten of Multatuli zelfs uitgesloten. — Ziedaar mijne beginselen in het stuk van verdraagzaamheid, niet heden of gister voor het eerst gepredikt.

UTRECHT, 5 October 1873.

Sluiten