Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ti actaten van Parijs en Weenen, na den val der Napoleontische heerschappij te Waterloo, mogt ons Werelddeel zich toch weder gedurende een halve eeuw, schier zonder uitzondering, in het behoud van den Vrede verheugen. Niemand heeft ooit met meer gloed van overtuiging en in edeler taal dan de Pruissisch-Oostenrijksche Publicist Friedr. v. Gentz, hot fraaist tafereel van do woldaden van het politisch evenwigt van Europa, op het ontzag der Tractaten gegrond, tot leering dor Kabinetten en ter ondermijning van den Troon van den Corsikaanschen geweldenaar, in het licht gesteld; — en zoo werd hem in 1814 en in 1815, als ter vergelding van zijn lang onvruchtbaar streven, do onderscheiding toegekend, als de regter hand van den Kanselier v. Metternich, de grondslagen van de herstelde orde van zaken voor de toekomst hechter — naar men hoopte — te helpen leggen. — Het is datzelfde in zijnen tijd nog niet zoo geweldig aangerand of als hersenschimmig gewraakt politsch stelsel van Europa's evenwigt, dat de Raadpensionaris van de Spiegel onwankelbaar aankleefde, en in welks ongekrenkte handhaving in de eerste jaren van zijn Ministerie, hij in overleg met Groot-Britannië een deel van zijn

diplomatischen roem die onuitwischbaar blijft, heeft verworven.

Zoo klein was zelfs toen na de diepe vernedering in 1787 de Nederlandsche Republiek niet geworden, zóó onbeduidend werden hare krachten door het buitenland niet geoordeeld, of de door partijzucht in 1795 vervolgde Staatsman heeft naar waarheid mogen getuigen: (Nadenking van een Staatsman uegens zijn Ministerie in Holland). „De bewaring van den Vrede in Europa heeft altoos gedurende mijnen tijd het Ministerie van don Staat ernstig tor harte gegaan, en in alle omstandigheden, waarin hetzelve eenigen raad of invloed gehad heeft, (welke men zonder grootspraak mag zeggen, in sommige gevallen niet gering geweest te zijn), hebben dezelfde pogingen tot dat einde gestrekt, als wel overtuigd zijnde, dat een vonkje, in welken hoek ran dit werelddeel ontstoken, ligtelijk zijne vlam tot ons konde uitbreiden, en dat er niets zoo verderfelijk was, voor eeno Republiek, op den koophandel gevestigd, als een oorlog.

„Uit dit oogpunt moet men beschouwen hot gowigtig aandeel,

Sluiten