Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik herhaal thans die bereidwilligheid, overtuigd gelijk ik ben, dat in het Duitsche Rijk zelf menigeen de gruwelen en jammeren der oorlogen van 1866 en 1870 met den eerlijken Publicist Frantz verfoeit, en dat menschenvrees alleen de tong of pen geboeid houdt. Die vrees kan door den zedelijken moed der naburige Vrijstaten gebroken worden, en een anders onvermijdelijken nieuwen krijg helpen verhoeden.

De inkleeding van het Adres of Vertoog ter afwending van het oorlogsgevaar kan wel zoo ernstig en gemoedelijk, zoo mannelijk en krachtig, zoo heusch en welwillend, zoo bondig en overredend, in één woord zoo waardig en doeltreffend zijn, dat alle denkbeeld van flaauwhartigheid of van een afbidden van het dreigend onheil uit gebrek aan krijgshaftigen Vaderlandschen zin, wegvalt. Maar het Vasteland van Europa in deze verlichte eeuw, met ijskoude onverschilligheid van het toppunt eener verfijnde beschaving in de ellende der diepste barbaarschheid en verwijdering te storten, of lijdelijk te gronde te laten gaan, zou een afschuwelijke misdaad of een onvergeeflijke zwakheid zijn, die geen weldenkend Vorst, Minister of Staatsburger kan begeeren op zijn geweten te laden, met geen naberouw uit te delgen. En toch er behoort spoedig gehandeld te worden; den 10. Mei kan veel worden beslist; de Mauser-geweren zijn reeds even voortreffelijk bevonden als de Krüpp-kanonnen, en tenzij Gods almagt den helschen toeleg eensklaps verijdele, en eene arglistige Diplomatie die wel meer buiten den waard heeft gerekend, in het niet doe zinken, loopen de kleinere Staten, — met of zonder oorlogsverklaring evenals in 1866 — maar al te zeer gevaar, onverhoeds in de schoonste natuur door het geweld van buiten besprongen te worden.

UTRECHT, 8 Mei 1875.

Sluiten