Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlijtig in de afdeolingen, of het moest zijn, toen zij in 1873, na de eerste slechte tijdingen uit Atjeh, den Minister Fransen van de Putte zoo argeloos-goedhartig den tijd lieten om tot bezinning te komen en zich niet alleen van de bank der beschuldigden te vrijwaren, maar ten spijt der Indische Comptabiliteitswet, de Regering en Natie nog dieper en dieper in den onzaligen krijg te slepen. Van 6 Februarij 1874 af heb ik niet opgehouden te betoogen, dat althans na het veroveren van den Kraton, de heillooze graf- en moordkuil van Atjeh, lieden liever dan morgen behoorde verlaïen te worden, en het overschot van onze strijdkrachten tot behoud van Java zelf onmisbaar, van nu voortaan bewaard. Ik aarzel niet dien raad — hij moge al dan niet beaamd, of zelfs beschimpt en bespot worden — nog eens en met dubbele klem na de op gister ontvangen, lang voorbedachtelijk verzwegen of suppletoire telegrammen, te herhalen: verlaat Atjeh — kan het zijn — onmiddelijk.

UTRECHT, 2 Maart 1876.

ATJEH. WAT TE DOEN?

II.

„You may swell every expence, and every effort, still more extravagantly, — while a foreign troop was landed in my country, I never would lay down my arms — never — never — never."

Lord Chatham.

Het is met dien moed van eene onbezweken Vaderlandsliefde, door hare Priesters aangevuurd, dat de bevolking van Atjeh nu drie jaren lang heeft stand gehouden, en onze heerschappij heeft afgeweerd. De oorlog, dien wij in 1873 zoo onbesuisd verklaarden, is een aanvallende, door geene onwraakbare regtsgronden te verdedigen; Atjeh slaat ons af uit noodweer. Wij zijn in de overtuiging der bedreigde bevolking overweldigers, en overweldiging is onregt in Azië zoowel als in Europa. Daarom nog eens: Verlaat Atjeh — kan het zijn — onmid-

Sluiten