Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staten-Generaal afgelegd: „Wanneer men zegt dat een klein Volk niet tegen overmagt bestand is, vergeet men hoe juist ons Vaderland gebleken is dat, onder hooger zegen, een klein land groote dingen vermag. Klein en groot te gelijk, is het kort begrip der historie van ons Gemeentebost. Werp mij niet tegen, de tijden veranderen en met deze de menschen. Ik neem de cegenroeping niet aan; do tijden veranderen, niet in dit opzigt, de menschen; tenware wij van onze voorvaderen een verbasterd nageslacht zijn." — Met die glorierijke geschiedenis voor den geest en met vertrouwen op Gods hulp, „al zou Nederland alleen staan", is — zeide Groen van Prinsterer nog bij eene andere gelegenheid — „wederstand niet ondenkbaar." Doch de Vaderlandsliefde mag dan niet enkel in klanken bestaan. „Wanneer we evenzeer, dus sprak hij, op den eisch van 'sLands verdediging, als op den wensch naar het afschaffen can belastingen bedacht zijn, met gewapende Neutraliteit tegen elk die zou willen dwingen tot deelgenootschap aan den krijg." — Geve God dat in de ure des gevaars, den Koning der Nederlanden en den Prins van Oranje, den vermoedelijken erfgenaam der Kroon, Mannen met den reinen en onbaatzuchtigen zin van den Secretaris van het Kabinet van Koning Willem I bezield, even vrijmoedig en rondborstig als de jeugdige Groen van Prinsterer, de oogen voor het te laat zij openen, en dien Vorsten de treffende waarheid voorhouden: „Geen Huis, hetwelk — als dat van Oranje — voor God een grooter verantwoordelijkheid heeft. Het moet zich handhaven op die hoogte: en om het te kunnen doen, vergete het niet, hoe het die hoogte heeft bereikt." God geve, dat Raadslieden met den hoogen en vaderlandslievenden ernst van een Groen van Prinsterer, de ontijdigheid van hoofsche verstrooijingen in zulke dagen, doen erkennen met het besef, „dat de daden der Vorsten aangelegenheden van den Staat zijn!" ')

UTRECHT, 23 Mei 1876.

') Verspreide Geschriften, bl. 242.

Sluiten