Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo niet den Schrijver zelf daaraan overhevig. Slaat men zijn werk op, over het Regt van Gezantschap, (Alberici Gentilis De Legationibiis Libri tres) in 1585 te Londen uitgegeven, men ziet hem met kruipende vleijerij aan de voeten van Leycester, men leest er vrij wat aanvallen in tegen de Pausen, en toch hoort men hem do stelling verdedigen, dat Philips de Tweede de dusgenaamde Gezanten van zijne Nederlandsche onderdanen te regt niet erkend had'). (Lib. II cap. VII. An sit cum rebellibus jus Legationis). — Hij is een lofredenaar van Macchiavelli, (Lib. III, cap. IX) en het was hem onverschillig hoe anderen over den Florentijnschen Staatsman mogten oordeelen. Hij bestrijdt den dichter Tasso, die in de Gezanten uitsluitend boden des vredes wilde zien (Lib. I Cap. VI de Legato bellico), hoe goddelijk dan ook de gaven van zijn Landgenoot waren („Non, igitur viro divino assentior Torquato Tasso", enz.) — Genoeg, naar het schijnt, voor het oogenblik, om het geschil van prioriteit tusschen Gentili en Pierino Bello eerst door de Italianen huishoudelijk te laten beslechten, en vooreerst onder ons niet verder te knagen aan het onbetwist gezag van den grootsten Geleerde, die Nederland ooit heeft gedragen en wien Vondel tegen iedere aanranding beschermt.

UTRECHT, 8 Februarij 1877.

PLIGTVERZUIM VAN LEDEN DER STATEN-GENERAAL.

— Advocat-Anwalte. —

Wie in vroeger jaren de Staatscourant opsloeg, om de parlementaire debatten te lezen, vond steeds aan het hoofd der zittingen van de Tweede Kamer, de namen der bij het openen der Vergadering aanwezige Leden, nauwkeurig vermeld, en een

') „Et ajo, jura legationis non esse: sicut nee eum alio principe sunl,"

Sluiten