Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zingwekkende kanalen, bruggen en spoorwegen hebben kunnen voltooid en nog gestadig ondernomen worden, sluiten in de algemeene overtuiging den mond voor zulke drogredenen. En de milde ondersteuning, die aan alle takken van Onderwijs te beurt valt of toegezegd is, had den Minister van Justitie, naar het schijnt, behooren te overreden niet naar de vroeger en in andere tijden aangeheven preek te luisteren, maar met het gezag der welwillende bejegening, die hij meer dan iemand bij de Kamers heeft ondervonden, met handhaving der onmisbare Regterlijke Collegiën en van den „plaatselijken Regter", dien de Grondwet zelfs in 1848 levenslang heeft behouden (Art. 152—163), op eene betamelijke verhooging der bezoldigingen, zonder uitzondering aan te dringen. — Na het voorgevallene bij het parlementair debat over de drie Hoogescholen, die 30 jaar lang gedoemd schenen, tot eene enkele te worden herleid, terwijl zij hoogstwaarschijnlijk eerlang eene vierde zullen zien verrijzen, is het wel onloochenbaar, dat zoo de Heer van Lijnden op het voorbeeld van zijn Ambtgenoot had kunnen besluiten het behoud der bestaande Regtbanken en Kantongeregten als constitutioneel gevestigd en onontbeerlijk met eene voegzame jaarwedde, onbeschroomd voor te dragen, geen enkel lid der Tweede Kamer den treurigen moed zou gehad hebben, de opheffing van eenige Regtbank of van eenig Kantongeregt als gebiedend noodzakelijk of zelfs maar als gewenscht, in het een of ander amendement stellig te formuleren. Wij hebben het gezien aan de houding der felste radicalen met

opzigt tot het — zoo als zelfs Hoogleerarcn niet ontveinsden

voor eenige maanden bijna zieltogend Groningen en bij het over Amsterdam getroffen vergelijk. — Zij zouden die stoutheid aan de pers hebben overgelaten, maar neen — deze zou in het voorstel van haren lieveling, den Minister van Justitie, voorzeker hebben berust. En nog zal zij dit doen, als ter elfder ure de regterlijke concept-wetten met het uitzigt op de regeling der geldquaestie, gelijk wij steeds durven hopen, worden ingetrokken. — „Een lang gevestigden toestand — heeft men in de Eerste Kamer teregt aangemerkt —, waarin alles langzamerhand is opgegroeid, en die niet dan zonder groote plaatselijke nadeelen kan

Sluiten