Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 't een en ander te voorzien, rond te wandelen of een afgerond gesprek te voeren.

Graaf Rostowzeff strekte behagelijk de beenen lang uit:

„Nu hebben wij weer ruimte, en is er niet met eenige centimeters grond gewoekerd zooals elders," sprak hij. „Ook aan een vaste zitplaats zijn wij nu niet meer gehouden; wij kunnen gaan,loopen, zitten waar wij willen, zoo is het naar myn wensch."

„Maar weinig versche lucht, vader!" wierp Olga hier tegen in, en zij keek met een bedrukt gezichtje naar de dubbele raampjes, die met ettelijke schroeven waren dichtgeklonken, om pas met het komend voorjaar geopend te mogen worden. Ook dacht zij er aan, dat, om de met den noodrem verbonden ijzerdraden buiten de wagons te kunnen bereiken, een krachtige vuistslag eerst zou noodig zijn voor 't verbrijzelen van de dikke vensterruiten.

Door den luchtkoker, boven hunne hoofden, vielen kleine houtskooldeeltjes neder, en het gehuil van den tocht wind, zong een vreemde melodie...

De uren verliepen, het ging tegen den nacht. Hoe verder de trein zich noord-oostwaarts spoedde, des te krachtiger moest Graaf Rostowzeff aan de koude weerstand bieden. Het langdurig verblijf in warmere luchtstreken had hem gevoelig gemaakt. Toen hij zich overtuigen wilde, of de afdeeling genoegzaam verwarmd was en op den boven de zitplaats aangebrachten thermometer keek, bemerkte hij, dat het kwik overal in het glas kleine glimmend zilveren balletjes had opgeworpen.

Bevelend riep hij :

„Stoker!"

Een man verscheen, die onderdanig boog en groette.

„Meer stoken! Later krijg je je belooning."

Plet kacheltje, onmiddellijk van brandstof opnieuw voorzien, verspreidde weldra een overvloedige hitte door de ruimte.

Olga, met haar jeugdig bloed, kreeg het zeer benauwd, doch zweeg om haar vader genoegen te doen.

En deze genoot. Een sigarette tusschen de lippen, de handen in de zakken, drentelde hij door de lange gang, van tijd tot tijd uit de vensters turende, naar het met sneeuwbedekte landschap, de lage

Sluiten