Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan het einde van de lange laan vertoont zich het groote witte heerenhuis met de zyvleugels, temidden der bijgebouwen, scherp gelijnd tegen groepen donkere dennen.

Een paar terrassen dalen af tot aan het meer, dat nu met een zware ijskorst is overdekt, en waarvan de oever wegschuilt onder hooge rietboschjes en bruine halmen.

In een der kleine inhammen ligt een roeiboot vastgeklonken aan het schuitenhuisje, dat verloren achtergebleven lijkt in de wit-zilveren eenzaamheid.

Op het vóor-erf slaan de honden aan; maar zoodra zij herkennen het hoefgetrappel, wordt het een janken en geblaf van dartele vroolykheid!

De slede van Nicolskoé's heer en zijn dochter houdt stil voor de groote trap, aan beide zijden waarvan zuilen, die door guirlandes van dennegroen en kasbloemen zijn versierd.

Als door onzichtbare handen wordt de deur geopend, en eenige mannelijke en vrouwelijke bedienden snellen haastig toe, om hun meester en meesteres bij het uitstijgen behulpzaam te zijn, terwijl zij de handen van hen met kussen overdekken.

En ook Olga Wadina temidden der haren ontrukt zich aan zichzelve, zooals zij haar vader ziet doen. En met Mademoiselle beantwoorden zij allen de ongekunsteld blijde ontvangst der bedienden.

Later denken en droomen, nu voor hen zijn, denkt zij, terwijl zij de met bloemen versierde trap opgaat.

De meubelen, waarop de heer des huizes en Olga aan tafel plaats nemen zijn eveneens met guirlandes omwonden ; bij Mademoiselle's bord heeft men eenige losse bloemen neergelegd.

„God zegene u allen," sprak Wadiem Alexandrowitsj ten slotte eenigszins ontroerd.

„De Heer behoede onze meesters," antwoordde een der bedienden op eerbiedigen toon.

Tegen den morgen eerst begaven de reizigers zich ter ruste. Dan zou verrijzen een nieuwe dag, en daarmede een nieuw leven beginnen!

En alvorens hij zich nederlegde, stond de eigenaar van al het schoone rondom hem aan het venster, en tuurde in den bleeken morgenschemer naar buiten.

Sluiten