Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XII.

O, gij Lente van Rusland! welke is aan u gelijk?

Waar ontluikt de Natuur zoo verrassend, weelderig, grootsch?

Waar elders is het, dat aan boomen en struiken, planten en bloemen de gezwollen knoppen bersten met zulk een lang weerhouden, wulpsche drift naar het nieuwe Leven?

Waar gevoelt de mensch sterker den laaien gloed der lente zijn aderen doortintelen?

Geen woning, de ruimste zelfs, of het is er hem te eng geworden, nu de lente lokt, roept, gebiedt: naar buiten!

En alom klinkt het, juichend, jubelend: „Voorjaar!"

Hoog stijgt de leeuwrik tegen het ijl blauw van den hemel, en uit de boomtoppen van het ahorn- en elzenwoud schalt zijn lied, over de heuvelruggen vèr, in het zwoele diep der dalen. Geuren, vluchtig oprijzende uit onzichtbare reukbronnen, omzweven ons, en hun bedwelming ondergaan wij als een genieten beider, lijf en ziel.

Wat wij aanschouwen, maar onze geest niet kan omvatten is de wedergeboorte en de opstanding, — het grootsche wonder Gods.

En de frisch ontloken jasmijn buigt zijn glanzend witten kelk

Sluiten